Bron het Onderwijsblad Publicatiedatum 24.02.2007 Auteur Nely van Dam

Pedagoog Freinet was zijn tijd vooruit

Freinet staat bekend als de man die de drukpers de school in haalde. Hij was ook de man die coöperaties opzette en die beschuldigd werd van wat we nu aanzet tot terrorisme zouden noemen, leert de biografie Célestin Freinet, een pedagoog voor onze tijd. Van het lijvige boek van Michel Barré verscheen onlangs de Nederlandse vertaling.

‘Wat een geweldige moeder is dit pleintje,' schrijft Célestin Freinet, als hij ziet hoe Joseph, een verwaarloosde dreumes, naar het pleintje kruipt, nauwelijks gekleed. Joseph stopt alles in zijn mond als hij honger heeft, slaapt wanneer hij moe is. Hij is altijd aan het leren zonder hulp van volwassenen.
Biograaf Michel Barré, die zelf met Freinet en diens echtgenote Elise gewerkt heeft, neemt het verhaal over Joseph op in Freinets levensbeschrijving als weerwoord op Elise's eerdere biografie. Zij had namelijk geschreven dat haar man als oorlogsinvalide lichamelijk gedwongen was zijn lessen naar buiten te verplaatsen. Barré ziet het anders: zijn pedagogisch inzicht was de motor.
Freinet (1896-1966) groeide op in het Zuid-Franse dorpje Gars, gelegen aan een doodlopende weg, aan de oever van een riviertje. Hij is de jongste van vier kinderen in een boerengezin, waarvan de moeder een kruidenierswinkeltje heeft. In zijn kinderboek Tony l'assisté, vertaald als Tony de wees, beschrijft hij zijn avontuurlijke jeugd met vuurtjes stoken, hutten en dammen bouwen en vooral ook het meehelpen met het werk van de volwassenen: boeren, herders en een enkele handwerkman. Het is geen straf voor kinderen in oogsttijd op het land te werken, het is een feest, en leerzaam ook. Zijn leven ontplooit zich, schrijft hij, ‘met een rijkdom en vrijheid die altijd de meest ingenieuze bedenksels van pedagogen te boven gaan. Ik ben echter tegen mijn vijfde naar de dorpsschool gegaan, maar niets van wat ik er heb kunnen doen heeft mijn herinnering bepaald, terwijl het dorpsleven met de dieren en de velden nog in mij zindert, vers en kleurrijk'.
Elise deed hier nog een schepje bovenop: haar man had geen enkele herinnering aan wat voor boek dan ook uit zijn schooltijd, alleen wat buiten de school gebeurde had hem gevormd. Het wil er bij biograaf Barré niet in. Hij vindt het ondenkbaar dat een Frans jongetje dat praktisch niets had gelezen slaagt in basis- en voortgezet onderwijs en op de normaalschool (de lerarenopleiding). Barré denkt wel dat Freinet ‘zich gemobiliseerd heeft tegen een van de voornaamste gebreken van het schoolsysteem: de verveling'.
In 1915 moet Freinet in militaire dienst, een jaar later treft een schot zijn longen. Vier jaar in militaire hospitalen en sanatoria volgen, waarin hij veel filosofische en opvoedkundige boeken leest. Zijn medepatiënten zijn bijna uitsluitend arbeiderskinderen. Hier vormt zich zijn wereldbeschouwing en pedagogisch denken. Hij wil een school voor alle kinderen van het volk, zonder indoctrinatie, uitbuiting of dogmatisme, met als ideaal een internationale gemeenschap. Het leren moet gepaard gaan met veel expressie en communicatie, liefst in de vorm van proefondervindelijk verkennen en zo mogelijk ambachtelijk. De leerlingen werken in vrijheid aan hun ontwikkeling, de klas vormt een democratische eenheid.
In 1920 wordt Freinet meester op een lagere school in Bar-sur-Loup. De klas zit overvol met kinderen die weinig gemotiveerd zijn voor schools leren, er zijn nauwelijks leermiddelen. Hij trekt steeds vaker met de kinderen het dorp en de natuur in. De huizen, de winkels en werkplaatsen leveren stof genoeg op. De slager, smid en timmerman vertellen over hun werk. In de natuur leren de kinderen planten en dieren kennen, de loop van de rivier wordt bestudeerd, ze nemen stenen mee uit de heuvels om die in de klas te onderzoeken. De onderwijzer schrijft de verslagen van de tochten op papier, later op het bord. Die vormen dan weer de basis voor lezen en schrijven. De kinderen schrijven ook op wat zij geleerd hebben van de wandelingen, maken er tekeningen bij. Zij lezen hardop voor, waarna de meester vragen stelt en extra informatie geeft. Als hij eenmaal een handdrukpers heeft georganiseerd, begint Freinet al snel aan een uitwisseling van druksels met andere scholen, waar geestverwanten werken. Later, als het netwerk gegroeid is en ook grote steden omvat, blijft deze uitwisseling bestaan. Alles gaat per post, Freinet geeft zijn collega's advies hoe de portokosten laag te houden.
Het netwerk groeit uit tot een beweging die haar eerste bijeenkomst belegt in 1927. Meteen vindt er een fusie plaats met een coöperatie van filmers. Vele fusies volgen nog, vaak met een internationaal tintje. Freinet maakt veel studiereizen. Zo gaat de onderwijzer in 1920 naar Rusland om te zien hoe de veranderingen na de revolutie in 1917 uitpakken in de scholen. Hij ontdekt er affiches als communicatiemiddel en gaat zelf meteen muurkranten vervaardigen.
Naast zijn schoolwerk schrijft Freinet veel, begin jaren twintig onder meer voor de linkse anarchistische tak van de onderwijsvakbond. Steeds betoogt hij dat de economische en politieke revoluties van korte duur zullen zijn als in het onderwijs geen revolutie plaatsvindt. Het moet afgelopen zijn met het uit het hoofd leren van indoctrinerende boeken, de school moet de zelfwerkzaamheid bevorderen.
In 1928 verhuist de onderwijzer naar Saint-Paul. Ook hier wijst hij de boerenouders, meest arme pachters van Italiaanse komaf, op hun rechten. Hij strijdt met hen mee voor een rechtvaardige boerenunie. Freinet dringt aan op een broodcoöperatie. Het conservatieve gemeentebestuur en de notabelen beginnen de onderwijzer te lastig te vinden, zeker omdat hij ook pijnlijk blootlegt dat de gemeente zijn arme, openbare school te weinig geld gunt. De zaken lopen danig uit de hand als de autoriteiten lezen wat de leerlingen zoal schrijven aan bij elkaar gefantaseerde dromen. ‘Ik heb gedroomd dat de hele klas in opstand kwam tegen de burgemeester die ons de leermiddelen niet gratis wil geven. Meneer Freinet voorop.'
Verontruste inwoners doen een oproep tot schoolstaking, zij verwijten Freinet de kinderen op te leiden tot communisten, bolsjewisten. Iets later publiceert een landelijke krant een leerlingentekst waarin de heilige communie verwordt tot drankgelag. Rechtszaken, politie- en inspectiebezoeken, ministeriële bemoeienis, overplaatsing, de rel heeft tot gevolg dat de Freinets vertrekken.
Tijdens zomervakantie en aansluitend verlof (waar hij als oorlogsinvalide recht op heeft) begint de zoektocht naar een geschikt pand voor een ‘eigen school'. Het wordt in 1935 een internaat in Vence. Onder de leerlingen tamelijk veel kinderen van Duitse en Spaanse vluchtelingen die het (opkomend) fascisme in eigen land proberen te ontwijken. Het dagelijks leven is ‘naturalistisch' met gezonde voeding en dagelijks zwemmen, tot twaalf jaar naakt. Leerlingen en leraren werken mee in de tuin en aan de gebouwen.
In de Tweede Wereldoorlog belandt Freinet in een concentratiekamp, waar hij analfabete medegevangenen lezen en schrijven leert, Elise wordt gedwongen de school te sluiten. Na de Tweede Wereldoorlog volgt Freinet zijn echtgenote die in Cannes gaat wonen. De onderwijzer blijft een paar dagen per week naar de school komen en schrijft veel, maar is vooral bezig met zijn beweging en daarmee samenhangende politieke conflicten.

Redder van het vmbo?
De Freinetbeweging (www.freinet.nl) kent 180 leden en ruim geteld zijn er zestien freinetscholen, al passen er veel meer de technieken toe. In Nederland heeft het gedachtegoed van Freinet nooit een brede verspreiding gekend, in het voortgezet onderwijs is het volledig afwezig. Een verklaring kan zijn dat Nederland tamelijk ingedut was in het begin van de vorige eeuw, toen elders in Europa revolutionaire bewegingen bestonden en de Eerste Wereldoorlog woedde. Maar het ligt zeker ook aan de Franse taal, denkt Jimke Nicolai van de Nederlandse Freinetbeweging. In Angelsaksische landen zijn freinetscholen evenmin gemeengoed geworden. In landen als Italië, Mexico, Japan, Duitsland, Oostenrijk en Senegal is wel terrein gewonnen. En niet te vergeten België, waar freinetscholen tegenwoordig booming zijn. "Alleen Gent heeft er al tien, de elfde is op komst. Ouders liggen er letterlijk op de stoep om hun kind op een freinetschool te krijgen", zegt Nicolai.
Tot voor kort waren Freinets werken niet in het Nederlands vertaald. In 2001 verscheen Tony de Wees, een kinderboek met autobiografische trekken, geïllustreerd met houtgravures. De biografie van Michel Barré, zeshonderd pagina's, verscheen eind vorig jaar.
In Nederland wordt de leer van Freinet niet dogmatisch toegepast. Genoeg freinetscholen zonder drukpers bijvoorbeeld. De scholen hebben meestal wel een rekenmethode, maar passen bij taal en andere vakken minder gestuurde werkwijzen toe. Bijvoorbeeld bij Engels corresponderen met het buitenland of een studie over de brandweer bij wereldoriëntatie. De gelijkwaardigheid van leerling en leraar is een gemeenschappelijk kenmerk, gezamenlijk overleg in de klassenvergadering is daar een uitwerking van. Dat begint al in groep 1, als de juf het echte schrijfwerk nog doet, maar de kleuters wel gezamenlijk bepalen wat in het verslag van de dag komt.
Drie pabo's bieden een specialisatie ‘freinet'. Nicolai ziet de kansen toenemen. Enerzijds omdat printer, smartboard en andere nieuwe media behulpzaam zijn bij de werkwijze. Anderzijds doordat het nieuwe leren in het voortgezet onderwijs toeneemt en vaak sterke overeenkomsten vertoont met Freinets uitgangspunten. Bovendien hoopt hij dat de leer de redding wordt van het vmbo: als de leerlingen proefondervindelijk verkennen in een democratische ‘werkplaatsklas' zullen zij én meer leren én gemotiveerder zijn én automatisch burgerschapsvorming opdoen, denkt Nicolai. De uitgewerkte plannen liggen klaar. 

Célestin Freinet, een pedagoog voor onze tijd, door Michel Barré, vertaling Rouke Broersma (ISBN 9789070961299), uitgever Freinetbeweging, Valthe 2006, € 42,50

Doormailen    Printversie








andere achtergrond