Bron het Onderwijsblad Publicatiedatum 02.12.2006 Auteur Yvonne van de Meent
Voorzichtigheid is troef in het voortgezet onderwijs: niet meer uitgeven dan er binnenkomt en zoveel mogelijk geld opzijzetten voor slechte tijden. Dankzij deze boekhouderscultuur hadden de scholen eind 2004 gezamenlijk 912 miljoen euro op de bank staan en nog eens 449 miljoen euro belegd, samen ruim 1,3 miljard euro. Maar tien jaar na de invoering van de lumpsumfinanciering begint eindelijk door te dringen dat meer reserves niet altijd beter zijn. "De buffers zijn op orde, we moeten ons geld nu durven uit te geven."
"Het aanleggen van reserves is misschien een beetje uit de hand gelopen", bekent Theo Jorna, directeur van de Bonifatiusmavo in Emmeloord. Met 345 leerlingen behoort de zelfstandige mavo tot de vijf kleinste scholen voor voortgezet onderwijs, maar ook tot de vijf rijkste. De afgelopen vijf jaar hield Bonifatius gemiddeld meer dan 10 procent over van de 1,3 miljoen euro die het ministerie van Onderwijs jaarlijks overmaakt. Eind 2004 stond er 834.000 euro op de bank en daarnaast had Bonifatius ook nog eens 254.000 euro belegd. Dat blijkt uit de financiële gegevens afkomstig uit de jaarrekeningen over 2000 tot en met 2004 die het Onderwijsblad bij het ministerie van Onderwijs (Cfi) heeft opgevraagd.
Meer dan één miljoen euro die meteen besteed zouden kunnen worden aan het onderwijs. Waarom blijft dat op de bank staan? "We staan voor een uitbreiding van ons gebouw, want het aantal leerlingen is de afgelopen jaren flink gegroeid", vertelt Jorna. "Bovendien moeten we als kleine school een flinke personeelsreserve aanhouden, want als er plotseling minder leerlingen komen, moeten we wel de docenten kunnen betalen. En als er meer leerlingen komen, moeten we extra docenten kunnen aanstellen, terwijl het geld daarvoor pas een jaar later binnenkomt. Ook hebben we geld opzijgezet voor onderhoud van ons gebouw want daar zijn we sinds 2005 ook helemaal zelf verantwoordelijk voor."
Maar het oppotten is doorgeschoten, beseft de directeur. De vermogenspositie is meer dan riant. De solvabiliteit, een verhoudingsmaat voor omvang van het eigen vermogen, ligt op 87 procent, terwijl het ministerie 45 procent al te veel vindt. "Het heeft te maken met een oude cultuur. Ons bestuur wil graag zelfstandig blijven en heeft sinds de invoering van de lumpsumfinanciering aangedrongen op het vormen van flinke reserves. Logisch. Als je als kleine school ineens op eigen benen moet staan, ontstaat er een cultuur van op zeker spelen", vindt Jorna. "Maar we zijn nu met een omslag bezig. We hebben vorig jaar de klassen verkleind, onderwijsassistenten aangenomen, een openleercentrum ingericht en er komen grotere werkruimtes zodat leerlingen meer in groepen kunnen werken. Het bestuur heeft nu gezegd dat een solvabiliteit van 70 procent genoeg is, maar als straks alle investeringen gedaan zijn, komen we daar waarschijnlijk onder."
1,3 miljard
De Bonifatiusmavo is niet de enige school die jaar in jaar uit geld overhoudt, maar is wel een extreem geval. Tussen 2000 en 2004 had ruim driekwart van de 309 schoolbesturen een overschot. Bij een kwart was dat meer dan 3 procent van de totale inkomsten, wat het ministerie van Onderwijs te veel vindt.
In 2004 boekte de hele sector een positief resultaat van 75 miljoen euro, 1,3 procent van de 5,5 miljard euro die er binnenkwam. Daaruit zou je kunnen afleiden dat het voortgezet onderwijs de financiële huishouding keurig op orde heeft. Er wordt, op enkele uitzonderingen na, niet meer uitgegeven dan er binnenkomt. Sinds de invoering van de lumpsumfinanciering in 1997 is ook geen enkel schoolbestuur failliet gegaan en daar werd tien jaar geleden wel voor gewaarschuwd.
Maar die angst voor faillissementen is nogal misplaatst, want het voortgezet onderwijs heeft vette reserves en kan financiële tegenvallers makkelijk opvangen. In 2004 kwam de gemiddelde solvabiliteit uit op 50 procent, 5 procent boven de ‘oppotnorm' die het ministerie van Onderwijs vorig jaar heeft vastgelegd. Ruim 60 procent van de scholen zit boven die norm, 36 procent heeft een gezond vermogen en bij 3 procent (negen schoolbesturen) is de vermogenspositie zwak.
In het voortgezet onderwijs zit het vermogen niet vast in onroerend goed, zoals in het hoger onderwijs en het mbo het geval is, want de gemeenten zijn eigenaar van de schoolgebouwen. De schoolbesturen zijn alleen verantwoordelijk voor het onderhoud en het vervangen van de inventaris. Het overgrote deel van het eigen vermogen bestaat uit vrij besteedbaar geld. Dat blijkt ook uit de cijfers. In 2004 hadden de scholen gezamenlijk 912 miljoen euro op de bank staan, daarnaast hadden ze nog eens 449 miljoen euro belegd. In totaal 1,3 miljard euro, dat is zo'n 25 procent van de totale inkomsten van een jaar. Volgens het ministerie van Onderwijs is een buffer van 10 procent van de totale jaarinkomsten genoeg om de gevolgen van een plotselinge leerlingendaling en andere onverzekerbare risico's op te vangen. 87 Procent van de schoolbesturen heeft een grotere of een enorm veel grotere buffer. Kortom, niet alleen bij de Bonifatiusmavo is het aanleggen van reserves uit de hand gelopen, vrijwel het hele voortgezet onderwijs is aan het hamsteren. En niet alleen kleine schooltjes hebben vette bankrekeningen.
Groeischool
Neem de Amsterdamse onderwijsstichting Esprit, die zeven middelbare scholen met in totaal 3900 leerlingen en een basisschool bestuurt. Van 2000 tot en met 2004 hielden de vo-scholen van Esprit gemiddeld 9,7 procent van de inkomsten over (twee tot zes miljoen euro per jaar). Het banksaldo liep in die tijd op van 12 miljoen naar bijna 22 miljoen euro en de solvabiliteit steeg van 51 naar 67 procent.
"We hebben een extra buffer nodig om schommelingen in de leerlingenaantallen op te vangen", verklaart directiesecretaris Wolter Vegter. "In het verleden hadden we veel nieuwkomers, leerlingen die net in Nederland zijn en in schakelklassen worden geplaatst. Door het restrictieve immigratiebeleid van minister Verdonk neemt dat soort leerlingen af en komt er minder geld binnen, terwijl we natuurlijk wel het personeel dat we in dienst hebben, moeten betalen. De scholen moeten nu hun onderwijsaanbod aanpassen aan nieuwe doelgroepen en investeren bijvoorbeeld in de ontwikkeling van tweetalig onderwijs." Daarnaast heeft Esprit volgens Vegter geld gereserveerd om de onderwijsgebouwen om te toveren in moderne leer/werkomgevingen.
En wat te denken van de twee christelijke vmbo-scholen in Barneveld die begin dit jaar een bestuurlijke fusie aangingen? Samen hebben ze 1800 leerlingen en meer dan tien miljoen euro op de bank staan. De solvabiliteit ligt op 68 procent. Henk van Diermen, voorzitter van de centrale directie, heeft er wel een verklaring voor. "De Christiaan Huygens, een voormalige lts, zou al in 1997 een nieuw gebouw krijgen, maar de gemeenteraad van Barneveld heeft pas dit najaar ingestemd met gezamenlijke nieuwbouw voor de fusiescholen. Daarom is er tien jaar niet meer geïnvesteerd in het oude gebouw en zijn de middelen voor vervanging van de inventaris opgespaard. In een nieuw gebouw wil je ook starten met nieuwe tafels en stoelen." Fusiepartner Groen van Prinsterer is een groeischool. Omdat de overheidssubsidie altijd een jaar achterloopt bij de leerlingengroei, loopt de uitbreiding van de personeelsformatie ook altijd een jaar achter en zo houd je bijna automatisch geld over, legt Van Diermen uit. "Bovendien kun je als groeischool ook veel jonge docenten aantrekken en dan ben je goedkoper uit."
Maar Van Diermen vindt zelf dat er wel erg veel geld opzij is gezet. "We hebben externe adviseurs naar onze jaarcijfers laten kijken en die zeggen dat een buffer van 10 of 15 procent van de jaarlijkse inkomsten voldoende is om alle risico's op te vangen. Wij zitten op 75 procent." Het bestuur wil echter verantwoord omgaan met het geld. "We weten natuurlijk dat we als school met overheidsgeld werken en dat het de bedoeling is dat we dat geld investeren in het onderwijs. Maar in ons bestuur zitten plaatselijke ondernemers en die denken in termen van winst maken. Ze willen ook graag reserveren voor de nieuwbouw. De gemeente verwacht namelijk een aanzienlijke eigen bijdrage."
Geen visie
Bedrijfseconoom Jan Waal, die medezeggenschapsraden in het onderwijs en de zorg adviseert, wordt er een beetje treurig van. De lumpsumfinanciering is ingevoerd om schoolbesturen de ruimte te geven eigen beleid te ontwikkelen, maar daar komt nog bitter weinig van terecht. "De boekhouders regeren. Alles draait om het sluitend krijgen van de begroting. Ik kom bij scholen die schrappen in de uitgaven omdat ze 30.000 euro tekortkomen op de begroting, terwijl ze twintig miljoen op de bank hebben staan. Of de groepsgrootte wordt verhoogd van 32 naar 37 leerlingen om de begroting sluitend te krijgen, terwijl een school hartstikke rijk is. Dat spoort toch niet? Het bestuur heeft vaak geen visie, het heeft geen idee hoe hoog het vermogen zou moeten zijn en de medezeggenschapsraad vraagt er ook niet naar."
"Er is in het voortgezet onderwijs meer sprake van financieel beheer dan van financieel beleid", vindt ook Willem Spee, senior adviseur bij Interstudie, een bureau dat onderwijsmanagers traint en adviseert. "Scholen denken nog te veel in termen van baten en lasten: wat eruit gaat, mag niet meer zijn dan wat erin komt. Het effect daarvan is dat er aanzienlijke bedragen worden opgepot." Besturen maken nog maar mondjesmaat gebruik van hun beleidsvrijheid, constateert hij. "Het ontwikkelen van financieel beleid is geen automatisch gevolg van de introductie van lumpsumfinanciering, zoals de voorstanders tien jaar geleden dachten."
Dat meer reserves niet altijd beter zijn, begint hier en daar door te dringen. Maar de angst voor potverteren blijft groot. Esprit is volgens directiesecretaris Vegter bezig met een voorzichtige cultuuromslag. "We hebben dit jaar een echte investeringsbegroting waarbij we een à twee miljoen meer uitgeven dan er binnenkomt." Esprit werkt sinds een jaar met schoolontwikkelingsplannen. Voor de uitvoering daarvan kunnen schoolleiders een extra budget aanvragen, waarmee ze kunnen investeren in onderwijsontwikkeling en in daarop afgestemde professionalisering van het personeel en vernieuwing van de onderwijsomgeving.
Vegter geeft aarzelend toe dat Esprit de afgelopen jaren te voorzichtig is geweest. "Bij de introductie van de lumpsumfinanciering hebben we eerst de kat uit de boom gekeken. We hebben scholen ‘strak' gehouden. Maar we realiseren ons dat we hier in Amsterdam een stevige maatschappelijke opdracht hebben. Er is echt werk aan de winkel en we moeten ervoor zorgen dat we de publieke middelen optimaal inzetten. Dat is in het verleden door die voorzichtige aanpak misschien niet voldoende gebeurd."
Maar Esprit gaat de 22 miljoen die op de bank staat, er heus niet zomaar doorheen jagen. "Onze reserves kunnen kleiner", stelt Vegter, "maar we hebben wel een buffer nodig om risico's op te vangen. Als de leerlingenaantallen dalen, ben je zo door een miljoen heen." Hoe groot de reserves moeten zijn, kan Vegter nog niet zeggen. "Daar zijn we nog mee bezig."
Risicoanalyse
Ook het Carmelcollege wil niet meer geld op de plank laten liggen dan nodig is. Met twaalf scholen, verspreid over 54 locaties, en met 34.000 leerlingen is Carmel het op één na grootste schoolbestuur in het voortgezet onderwijs. Alleen het Brabantse OMO (Ons Middelbaar Onderwijs) is groter. In 2003 en 2004 hielden de Carmelscholen samen ruim tien miljoen euro over, 4,7 procent van de totale inkomsten. "Onzettend veel", vindt Karel van der Velden, die begin dit jaar is aangesteld als controller. Hij tekent daarbij aan dat de overschotten zijn ontstaan door vrijgevallen voorzieningen. Carmel houdt dus geen geld over uit de lumpsum. "Maar het is wel dikke winst en dat is natuurlijk niet nodig. Geld dat beschikbaar is voor het onderwijs, moet daar ook terechtkomen", geeft de controller toe.
Met een solvabiliteit van 60 procent is de vermogenspositie van Carmel riant te noemen. Maar of de reserves te ruim zijn, weet Van der Velden nog niet. "We moeten natuurlijk oppassen voor oppotten, maar ook niet doorslaan naar de andere kant. De lumpsumvergoeding die we van de overheid krijgen, is te laag. De energiekosten rijzen bijvoorbeeld de pan uit, maar die stijging wordt al jaren niet gecompenseerd. Door de introductie van nieuwe onderwijsconcepten moeten we onze gebouwen aanpassen; er komen studielandschappen, mediatheken, projectgroepzaaltjes. Die verbouwingskosten krijgen we niet vergoed. We moeten dus echt reserves aanhouden om voor continuïteit op langere termijn te zorgen."
Om uit te vinden hoe hoog die reserves moeten zijn, is Carmel bezig met een risicoinventarisatie. Van der Velden heeft een offerte aangevraagd bij twee bedrijven die een softwareprogramma hebben ontwikkeld waarmee je kunt berekenen hoeveel geld er beschikbaar moet zijn. "En ik hoop natuurlijk dat daaruit rolt dat onze reserves te groot zijn, dan kunnen we meer investeren in het onderwijs", zegt hij.
De collega's in Limburg hebben al zo'n inventarisatie uitgevoerd en daar zit de schrik er goed in. Door vergrijzing en ontvolking daalt het aantal leerlingen in het Limburgse voortgezet onderwijs de komende vijftien jaar met 20 procent. "Die leerlingendaling is eigenlijk geen risico, het is een zekerheid", stelt Gertjan van der Brugge, waarnemend voorzitter van de stichting LVO, die zeventien Limburgse openbare en bijzondere scholen bestuurt en daarmee in grootte het derde vo-schoolbestuur van Nederland is.
De leerlingendaling gaat LVO geld kosten. Schoolgebouwen komen gedeeltelijk leeg te staan, maar je kunt ze niet sluiten. Dus zullen de huisvestingslasten per leerling oplopen, betoogt Van der Brugge. Dat er de komende jaren veel docenten met pensioen gaan is een geluk bij een ongeluk, maar er kunnen natuurlijk wel personele fricties ontstaan. De ene school kan docenten tekortkomen, terwijl de andere er te veel heeft. "We moeten mobiliteitsbeleid ontwikkelen om docenten te stimuleren over te stappen naar een andere school. Dat kost ook geld", aldus de collegevoorzitter. "Bovendien kan er een tekort ontstaan aan bijvoorbeeld wiskundedocenten. Dan moeten we andere leraren die boventallig zijn geworden omscholen. Want we willen dit probleem zonder ontslagen oplossen."
Rode cijfers
Hoeveel geld LVO nodig heeft om de terugloop op te vangen, is moeilijk in te schatten, zegt Van der Brugge. "Dit is een volledig nieuw probleem. Sinds de invoering van de lumpsumfinanciering heeft zich nog nergens in Nederland zo'n krimpsituatie voorgedaan. Ik word regelmatig gevraagd te spreken op congressen over ontvolking, maar ben ook geen expert. Niemand weet precies hoe je dit moet aanpakken."
Toch gaat het bestuur de komende jaren extra investeren in het onderwijs. "We stoppen de komende jaren extra geld in de bouw van nieuwe scholen, in de professionalisering van docenten en we zijn bezig met een elektronische leeromgeving voor alle scholen. Door die meerjareninvesteringen komen we in 2008 waarschijnlijk in de rode cijfers." Dat kan, want LVO heeft de afgelopen jaren flink wat overgehouden: tussen 2000 en 2004 1,8 procent van de totale inkomsten. Daardoor hebben de Limburgse scholen genoeg vet op de botten. In 2004 kwam de solvabiliteit uit op 46 procent, net boven de oppotnorm.
Dat oppotten heeft de overheid zelf gestimuleerd, verdedigt Van der Brugge het beleid van zijn voorgangers. "Bij de invoering van de lumpsumfinanciering zijn scholen indringend gewaarschuwd voor de risico's die zij lopen. De overheid zei letterlijk: Denk eraan, jullie worden nu zelfstandig en moeten je eigen broek ophouden. Scholen kunnen ook failliet gaan", brengt hij in herinnering. "Dat heeft oppotten in de hand gewerkt. Maar de buffers zijn nu wel op orde. Ons vermogen is voldoende om de fricties op te vangen. We moeten nu ons geld durven uitgeven."
Maar dat betekent niet dat er geen extra overheidsinvesteringen nodig zijn, waarschuwt de collegevoorzitter. "Er zijn nog allerlei maatschappelijke wensen, zoals kleinere klassen en meer uren op het lesrooster, waaraan scholen graag willen voldoen maar waarvoor de middelen ontbreken. We hebben de afgelopen jaren perfect de tering naar de nering gezet en dankzij meevallers hielden we steeds wat geld over. We kunnen de boel dus net draaiende houden, maar hebben wel degelijk extra geld nodig voor kwaliteitsverbeteringen."
Bedragen in miljoen euro | |
Totale inkomsten | 5.553,6 |
Exploitatieresultaat | 75,6 |
Rentabiliteit | 1,3% |
Beleggingen | 447,1 |
Liquide middelen | 912,3 |
Eigen vermogen | 1619,2 |
Voorzieningen | 548,0 |
| Solvabiliteit | 50% |
| Solvabiliteit | 67% |
| Toelichting bij het huishoudboekje Eind 2004 telde het voortgezet onderwijs ruim zevenhonderd scholen die bestuurd werden door 309 stichtingen, verenigingen, bestuurscommissies of gemeenten. Ongeveer de helft van die besturen heeft maar één school onder zijn hoede. Dat zijn de zogenoemde éénpitters. Een kwart bestuurt een klein aantal scholen met in totaal 3500 tot 9000 leerlingen en een kwart behoort tot de categorie grote schoolbesturen met meer dan 9000 leerlingen. Met een jaaromzet van 376 miljoen euro is het Brabantse Ons Middelbaar Onderwijs (OMO) met kop en schouders de grootste. Het Carmelcollege (214 miljoen euro omzet) en de stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs (187 miljoen euro) bekleden de tweede en de derde plaats. De meeste scholen hebben in hun jaarrekeningen over 2005 wat uit te leggen. Vorig jaar stuurde minister Van der Hoeven namelijk nieuwe signaleringsgrenzen naar de Tweede Kamer. Haar ambtenaren hielden tot voor kort alleen in de gaten welke instellingen failliet dreigden te gaan, maar sinds vorig jaar wordt ook buitenproportioneel spaargedrag in kaart gebracht. Scholen die meer dan 3 procent van hun jaarinkomen overhouden, moeten aangeven waarom er zoveel geld opzij wordt gezet. Tussen 2000 en 2004 boekte een kwart van de schoolbesturen (83 in totaal) zo'n hoge winst. Dat wordt moeilijk want 60 procent (190 schoolbesturen) is de bovengrens voor gezonde vermogensvorming ruimschoots gepasseerd. De rekenmeesters van het ministerie van Onderwijs vinden een solvabiliteit van 45 procent meer dan genoeg. Scholen hoeven dus geen geld opzij te zetten voor later, de spaarpotten zijn al lang overvol. |
| Gemiddelde rentabiliteit 2000-2004 | Solvabiliteit 2004 | |
| Islamitisch College Amsterdam | 12,2% | 88% |
| Groen van Prinstererschool (vmbo) Barneveld | 11,7% | 65% |
| Bonifatiusmavo Emmeloord | 10,4% | 87% |
| Esprit Scholengroep Amsterdam | 9,7% | 67% |
| SG Beroepsonderwijs Heerenveen | 9,4% | 64% |
| Don Bosco College Volendam | 9,4% | 88% |
| Pieter Zandt Lyceum Kampen | 8,7% | 74% |
| Pallas Athene College Ede | 8,4% | 54% |
| CSG Willem de Zwijger Schoonhoven | 8,3% | 60% |
| Christiaan Huygens (vmbo) Barneveld | 8,1% | 74% |
| Toelichting bij de oppotters top tien Driekwart van de scholen voor voortgezet onderwijs wist tussen 2000 en 2004 geld over te houden, een kwart zelfs meer dan 3 procent. De tien scholen die het Onderwijsblad heeft opgenomen in de Oppotters top tien vertonen echter bijzonder buitenissig spaargedrag. Zij zetten de afgelopen vijf jaar gemiddeld 8 tot 12 procent van de totale inkomsten opzij. Niet verrassend behoren de tien grootste oppotters ook tot de meest vermogende scholen. Hun solvabiliteit ligt zonder uitzondering ver boven de oppotnorm van 45 procent die het ministerie van Onderwijs hanteert. Dat er bij de oppotters veel geld op de plank blijft liggen, blijkt ook uit de hoge tot extreem hoge liquiditeit. Samen hebben de tien kleine en middelgrote scholen ruim vijftig miljoen euro op de bank staan, veel meer dan nodig is om de uitstaande rekeningen te betalen. |
190 oppotters op een rij
Docenten en ouders zouden meer kritische vragen moeten stellen over de jaarcijfers van scholen, vinden adviseurs Jan Waal en Willem Spee. Maar schoolbesturen zijn vaak niet scheutig met het verstrekken van die gegevens. Daarom heeft het Onderwijsblad de jaarcijfers van alle 309 schoolbesturen netjes op een rij gezet. U kunt de gegevens van uw eigen schoolbestuur vinden op de website van de AOb: www.aob.nl. Is uw school één van de 190 oppotters? Een korte handleiding.
1. Hoeveel geld mag een school overhouden?
Scholen zijn geen bedrijven en hoeven dus ook geen winst te maken. Maar het ministerie van Onderwijs vindt 3 procent van de totale jaarinkomsten overhouden nog net aanvaardbaar. Als een school meer overhoudt moet het bestuur in de jaarrekening uitleggen welke bijzondere redenen er zijn om het geld opzij te zetten. Overigens valt ook een tekort van 3 procent volgens het ministerie nog binnen de normale marges. "Als je heel erg rijk bent, wat de meeste scholen zijn, is het idioot om meer over te houden dan 1 of 1,5 procent", vindt bedrijfseconoom Jan Waal, die medezeggenschapsraden adviseert. "Het is ook echt niet nodig om overschotten te begroten. Meestal zijn er meevallers en als het tegenzit, is het echt niet erg om een keertje verlies te draaien."
2. Wanneer is een school rijk?
Het ministerie van Onderwijs beoordeelt de vermogenspositie aan de hand van de solvabiliteit: de verhouding tussen reserves en schulden. De solvabiliteit wordt berekend door het eigen vermogen te delen door het totaal aanwezige vermogen. Om tegenvallers te kunnen opvangen, moet de solvabiliteit volgens het ministerie minimaal 10 procent zijn. Scholen die boven de 45 procent zitten, potten te veel geld op.
Schoolbesturen zijn het niet eens met die norm. Omdat ze hun gebouwen niet in eigendom hebben, hebben ze meestal ook geen (hypotheek)leningen. Het totale vermogen is daardoor laag en de solvabiliteit automatisch hoog. Karel van der Velden, controller bij het Carmelcollege, vindt daarom dat je beter naar het weerstandsvermogen kunt kijken als je wilt weten hoe rijk een school is. "Je zet dan het vermogen af tegen de jaaromzet en dat is een veel betere maat."
Jan Waal is het daar roerend mee eens. Maar hoe hoog moet het weerstandsvermogen zijn? "Een risicobuffer van 8 tot 10 procent van de jaaromzet is meer dan voldoende", vindt Waal. Willem Spee, senior adviseur bij Interstudie, houdt het op 10 tot 15 procent.
Een werkgroep met vertegenwoordigers van besturenorganisaties en experts van het ministerie van Onderwijs stelt dat het weerstandsvermogen minimaal 10 en maximaal 45 procent zou moeten zijn. Als die normen gebruikt zouden worden, daalt het aantal oppotters in het voortgezet onderwijs in één klap van 190 naar 46. Maar minister Van der Hoeven heeft het advies van de werkgroep (nog) niet overgenomen, dus blijven er voorlopig 190 rijke scholen.
3. Tien miljoen euro op de bank, is dat veel?
Scholen moeten geld in kas houden om hun rekeningen te betalen. Grote scholen meer dan kleine scholen, want grote scholen hebben uiteraard hogere lasten. Als een school in januari een aannemer moet betalen die een verbouwing heeft uitgevoerd, kan er eind december zomaar een paar miljoen euro op de bank staan. Kortom, het banksaldo alleen zegt niet zoveel.
Om te bepalen of er veel of weinig geld in kas is, wordt meestal de liquiditeit berekend, de verhouding tussen liquide middelen en de kortetermijnschulden. Een liquiditeit van één wordt als normaal beschouwd, want dan zijn de schulden en liquide middelen precies in evenwicht. Een hoge liquiditeit wijst niet per se op overweldigende rijkdom, maar eerder op onverstandig geldbeheer. Geld dat over is kan beter belegd worden, dan brengt het meer rente op.
4. Mogen scholen beleggen?
Geld dat scholen krijgen van de overheid, hoort aan het onderwijs besteed te worden. Maar ‘tijdelijk overtollig geld', mag belegd worden, mits het om risicomijdende beleggingen gaat. Speculeren met aandelen is dus uit den boze, want als de beurskoersen instorten is een school het ingelegde bedrag kwijt. Scholen mogen wel obligaties kopen, want daarbij is de inleg gegarandeerd. Overtollig geld op een spaardeposito zetten mag ook.
Scholen hebben in totaal 450 miljoen euro belegd. Daarbij gaat het meestal om ‘oud geld' dat in het verleden is opgespaard, stellen de beleggers. "Onze oudste school is het Bisschoppelijk College in Weert", zegt LVO-voorzitter Gertjan van der Brugge. "Dat is in 1648 gesticht." Katholieke scholen kregen vroeger ouderbijdragen, er werd geld opgehaald via de kerk en soms kreeg een school een erfenis", voegt Karel van der Velden van het Carmelcollege daaraan toe. Maar daarbij gaat het om kleinere bedragen, hooguit enkele miljoenen. Het Carmelcollege heeft in totaal bijna veertig miljoen euro belegd. Dat bedrag is grotendeels bij elkaar gespaard door kleine exploitatieoverschotten toe te voegen aan het eigen vermogen. "Het Carmelcollege bestaat al zo'n 85 jaar, dus dan loopt zo'n bedrag lekker op", verklaart van der Velden. Die beleggingen brengen jaarlijks twee miljoen rente op. "Dat steken we weer in het onderwijs."
"Een school is geen beleggingsinstelling", vindt Jan Waal. Scholen kunnen zich beter concentreren op het verzorgen van onderwijs. "En geld dat door particulieren is geschonken, is net als overheidsgeld bedoeld voor het onderwijs. Je kunt buffertjes natuurlijk tijdelijk beleggen, maar geld permanent beleggen voor de rente-inkomsten, lijkt me niet de bedoeling."
5. Wat is het verschil tussen reserves en voorzieningen?
Kritische vragen stellen over de hoogte van de voorzieningen is hard nodig. Naast 1,6 miljard aan eigen vermogen heeft het voortgezet onderwijs ook nog voor ruim een half miljard euro voorzieningen getroffen, 17 procent van het totale vermogen. "Belachelijk veel", vindt Waal.
Reserves en bestemmingsreserves zijn bedoeld voor toekomstige uitgaven die nog niet precies vastliggen. Als er nieuwbouwplannen zijn, maar het bestuur heeft nog geen idee hoeveel het daaraan gaat uitgeven, kan de bestemmingsreserve huisvesting alvast gespekt worden. Voorzieningen zijn spaarpotjes voor toekomstige uitgaven die al zijn vastgelegd en waarvan de hoogte redelijk kan worden ingeschat. Als een school de personeelsformatie moet inkrimpen en met de vakbonden een sociaal plan heeft vastgesteld, kan er een personeelsvoorziening worden gevormd om afvloeiingsregelingen te betalen. Voorzieningen zijn dus eigenlijk toekomstige schulden en tellen daarom niet mee bij het eigen vermogen.
Het hoge voorzieningenniveau in het voortgezet onderwijs doet Waal vermoeden dat het vaak niet om echte voorzieningen gaat, maar om verborgen reserves. "Scholen gaan reserves wegzetten als voorziening om onder de oppotnorm te blijven. Die voorzieningen moet je gewoon optellen bij het eigen vermogen", vindt Waal. Als je dat doet komt de gemiddelde solvabiliteit van het voortgezet onderwijs uit op 67 procent. Scholen zijn dus nog rijker dan het op papier lijkt.
6. Wanneer is een school financieel gezond?
Hoe meer reserves hoe beter, denken veel medezeggenschapsraden. Want er hoeft op school maar één steekpartij plaats te vinden en de aanmeldingen lopen terug. En wat als de claimcultuur doorzet? Ouders eisen nu al een schadevergoeding als hun kind op school wordt gepest of als de school het voorgeschreven aantal lesuren niet haalt. Als een school stevige reserves heeft, hoeven er bij dergelijke calamiteiten niet meteen docenten ontslagen te worden.
"Het zou goed zijn als scholen de risico's die ze lopen, preciezer in kaart brachten", vindt Willem Spee. "Nu praten ze er veel te veel in algemene termen over. Als de risico's bekend zijn, kan een bestuur ook beleid ontwikkelen om de kans dat ze zich voordoen te verminderen. Dan hoeven de reserves ook niet zo groot te zijn."
Maar een degelijke risicoanalyse is pas het begin. Scholen die hun managementinformatie goed op orde hebben, kunnen snel ingrijpen als er tekorten dreigen te ontstaan en hebben ook minder grote buffers nodig. En als een school heldere beleidskeuzes maakt, hoeft er ook geen baaierd aan bestemmingsreserves te zijn. "Het gaat niet om de hoogte van de reserves, maarom de kwaliteit van het financiële beleid", concludeert Spee. "En daar kan nog een hoop aan verbeterd worden."
| Beleggingen in miljoen euro | % van totale baten | |
| Vereniging OMO Tilburg | 44,1 | 12,0 |
Stichting Carmelcollege Hengelo | 39,5 | 18,5 |
SCO Lucas Voorburg | 24,3 | 14,6 |
Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs Sittard | 21,6 | 11,5 |
Stichting Sint-Bernardinus Heerlen | 12,5 | 19,4 |
| Totaal | 142,0 |
| Beleggingen in miljoen euro | % van totale baten | |
BC Burg. Harmsmaschool Gorredijk | 3,6 | 79,7 |
Pallas Athene College Ede
| 2,9 | 60,4
|
Chr. mavo De Saad Damwoude
| 1,1 | 58,0
|
SG Hoeksche Waard Oud Beijerland
| 5,3 | 56,5 |
De Nuborgh Elburg
| 7,4
| 53,0 |
| Totaal | 20,4 |
| Toelichting beleggers top vijf De grootste beleggers zijn - niet verrassend - te vinden onder de grote katholieke schoolbesturen: OMO en Carmel voeren de top vijf aan. De totale waarde van de beleggingsportefeuille van de top vijf bedraagt 142 miljoen euro, ruim dertig procent van het totale beleggingsbedrag. Maar als de waarde van de beleggingsportefeuille wordt afgezet tegen de jaarinkomsten ontstaat er een ander beeld. Dan voert ineens een aantal kleine openbare schoolbesturen de lijst aan. De openbare Burgemeester Harmsmaschool in Gorredijk (Friesland) heeft maar 3,6 miljoen euro belegd, maar dat is wel bijna tachtig procent van de jaaromzet. Gemiddeld hebben scholen in het voortgezet onderwijs 8 procent van de jaarinkomsten belegd. |
Artikelen
Downloads