Bron het Onderwijsblad Publicatiedatum 03.11.2007 Auteur Rob Voorwinden

A-team voor islamitische basisscholen

De AOb heeft, samen met onder andere de werkgevers, een ondersteuningstraject opgezet voor islamitische basisscholen. "Veel besturen van islamitische scholen denken dat ze kunnen doen wat ze willen. Ze moeten echt wennen aan de Nederlandse regels en verhoudingen."

Mag een schoolbestuurder zichzelf op de loonlijst van de school zetten? Wat zijn de rechten en plichten van een medezeggenschapsraad, en hoe maak je een financiële meerjarenplanning? Over dat soort zaken verzorgden de AOb en de werkgevers- en besturenorganisaties Vos/ABB en AVS een training bij de islamitische basisschool Yunus Emre in Den Haag.
Niet dat het slecht gaat op deze school van 275 leerlingen. Integendeel: de Cito-scores zijn naar behoren en de Onderwijsinspectie is tevreden, Yunus Emre staat al een tijdje niet meer onder verscherpt toezicht. Maar volgens directeur Abdelsadek Maas kan het altijd beter. "Er zijn nog wel een aantal slagen te maken. En wij werken constant aan kwaliteitsverbetering, om met ons onderwijs een bijdrage te kunnen leveren aan de emancipatie van moslims. Waarbij we wel 100 procent deel willen blijven uitmaken van de Nederlandse samenleving. Net als de meeste moslims, hoewel een kleine groep daar helaas anders over denkt."
De school heeft wel een roerig verleden: van eind jaren negentig tot 2000 verkeerde Yunus Emre in een crisis. Er was onenigheid tussen een aantal partijen binnen de school, Surinaams, Marokkaans en Turks, en de directeur en adjunct gingen rollend door de gang. Soms bijna letterlijk. Maas: "Het is een keer voorgekomen dat het ene directielid de politie heeft ingeschakeld om het andere directielid uit het pand te laten zetten. Stupide en uitermate slecht voor het goed functioneren van de school." Daarnaast was de financiële administratie gebrekkig en was er voor zeven ton (guldens toen nog) aan uitgaven onvoldoende verantwoord.
Het bestuur van een plaatselijke moskee klopte in 1999 aan bij Maas met de vraag of hij wilde helpen de school uit het slop te trekken. Maas was daar de geschikte man voor: hij is oud-leraar (maatschappijleer) en heeft veel ervaring opgedaan in het multiculturele opbouwwerk. Verder kende Maas het Nederlandse onderwijs goed: hij had het zelf genoten als Nederlands-hervormde autochtoon. "Op een gegeven moment kreeg ik andere ideeën en ben ik moslim geworden." Daarbij nam hij de voornaam Abdelsadek aan. "Het aannemen van een andere naam is niet verplicht, maar zo beweeg je je wat makkelijker in de islamitische cultuur."
Maas werd voorzitter van het bestuur van Yunus Emre en de reddingsactie slaagde. De zittende directie vertrok, Maas werd vorig jaar uiteindelijk zelf directeur. En in december 2006 betaalde de school de laatste termijn aan het ministerie terug van de onvoldoende verantwoorde uitgaven.
De crisis op Yunus Emre is niet uniek: veel islamitische scholen maken een vergelijkbaar proces door. Maas: "Een islamitische school wordt gestart vanuit de identiteit en de religie: die staan voorop." En als verschillende betrokkenen dan verschillende inzichten hebben over de precieze invulling van het geloof, ontstaan er problemen. "Verder zijn bestuursleden vaak pioniers", zegt Maas. "Die vinden het moeilijk om afstand te nemen als ‘hun' school eenmaal draait." Dus zijn er al snel meerdere kapiteins op één schip, en dat loopt doorgaans mis. Maas: "Het is een logische fase, waar veel islamitische scholen helaas nog middenin zitten."
Dat blijkt ook uit de brief die de staatssecretarissen Sharon Dijksma en Marja van Bijsterveldt aan de Tweede Kamer hebben gestuurd, waarin ze een groot onderzoek naar islamitische scholen aankondigen. Een voorlopige inventarisatie van problemen van deze scholen, die bij de brief is gevoegd, is een bloemlezing van bestuursconflicten, ruzies en onvoldoende verantwoorde uitgaven.

Schreeuwen en ruziën
De grootste gemene deler van problemen op islamitische scholen is het begrip ‘eigenheid', vindt Rob de Koning, AOb-projectleider Wet medezeggenschap, die tevens nauw betrokken is bij het ondersteuningstraject bij Yunus Emre. "Veel besturen van islamitische scholen denken dat de school hun eigendom is, waarmee ze kunnen doen wat ze willen. Maar zo werkt dat niet in het Nederlandse onderwijs. Je bent hier uitvoerder van het onderwijs, in opdracht van de Staat der Nederlanden. En je moet je houden aan allerlei regels. Van ontslagregels tot regels rondom de financiële verantwoording. Dat is vaak een eyeopener voor die besturen."
Ook komt het bij islamitische scholen nogal eens voor dat er teveel personeel wordt aangenomen voor banen die niet direct met het lesgeven te maken hebben. Of dat bestuurders zichzelf taken toebedelen en op de loonlijst zetten. "Vaak met de beste bedoelingen", zegt AOb-bestuurder Liesbeth Verheggen. "Maar als bestuurder kun je niet tegelijk ook werknemer zijn: je kunt niet jezelf controleren." Soms heerst er bij de MR ook het idee dat zij alles kunnen bepalen of tegenhouden. "Als wij maar ‘nee' zeggen gebeurt het niet", zegt Verheggen. "De betrokkenen hebben af en toe echt geen goed beeld van de Nederlandse verhoudingen."
Dat weet ook senior adviseur Geke Lexmond van Vos/ABB, die het bestuur en de directie van Yunus Emre een training gaf in financieel management en het opstellen van een begroting. "Een heel plezierige club", vindt ze. "De kennis over financiën was niet verschrikkelijk hoog, dus deze training was erg nuttig. Daarnaast hebben we het ook, wat de financiën betreft, gehad over de scheiding van taken tussen bestuur en directie."
Dat veel bestuurders van islamitische scholen geen inzicht in dit soort zaken hebben, komt doordat zij zelf vaak onderwijs hebben genoten in een herkomstland, zegt directeur Maas van Yunus Emre. "In Marokko is alles heel top-down georganiseerd. Die manier van werken is binnen de Nederlandse verhoudingen niet adequaat. In Marokko trouwens ook niet: het land zou er erg op vooruit gaan als er wat meer werd gecommuniceerd en wat minder geschreeuwd en geruzied."
Zelf heeft directeur Maas in het ondersteuningstraject nog eens het belang van consequente communicatie met het bestuur geleerd. "Als directeur zit ik hier dichter op mijn klantengroep dan collega's van andere scholen. Ik ontmoet mijn bestuurders in de moskee, in het koffiehuis en in familieverband. Daar kan beïnvloeding plaatsvinden, en dan moet je leren om toch een consequent beleid te voeren."
In het ondersteuningstraject van Yunus Emre werd ook ingegaan op de verhouding tussen de directie en MR. Maas zou graag zien dat de MR wat meer kijkt naar het totaalplaatje van de school, en minder naar de details. "En de communicatie kon beter." Zeker rond het ontslag van dertien ID'ers bij Yunus Emre, dat per januari 2009 een feit moet zijn. Maas: "Dat is in feite een erfenis uit het verleden: het vorige bestuur had teveel mensen aangenomen. En de MR wilde een handtekeningenactie starten om die banen te behouden, maar onze financiële positie is daar gewoon niet toereikend voor."
Daar komen we als MR en directie wel uit, verwacht MR-voorzitter Wadea El Haddioui. Al dan niet dankzij de verbeterde communicatie. "We hebben echt wat gehad aan de cursus van de AOb. Zo hebben we bijvoorbeeld afgesproken dat in de tweede helft van elke vergadering de directeur er even bij komt zitten, zodat we zaken meteen kunnen doorpraten. Dat geeft veel rust in de tent."
Yunus Emre heeft goede plannen voor de toekomst. De Cito-resultaten vallen iets boven het gemiddelde van de vergelijkbare scholen, maar dat vindt Maas niet goed genoeg. "Wij willen duidelijk beter scoren dan vergelijkbare scholen." Er wordt samen met onderwijsontwikkelingsbureau CPS dan ook voortvarend gewerkt aan doorgaande leerlijnen en het werken met tussen- en einddoelen. En aan bijvoorbeeld cyclisch lesgeven. Dit alles gecombineerd met een imposante toetsbatterij, op basis waarvan individuele handelingsplannen worden opgesteld.
De school is goed bezig, vindt Verheggen van de AOb. En dit ondersteuningsproject, dat wordt gesubsidieerd door het ministerie en draait onder auspiciën van de islamitische koepel Isbo, zou wellicht ook andere scholen kunnen helpen. "We gaan kijken of we dit aanbod kunnen uitbreiden naar andere islamitische scholen." Een van de voorwaarden is dan wel dat alle drie de niveaus in een school meedoen, vindt projectleider De Koning. "De MR, het bestuur én de directie. Anders werkt het niet."
Adviseur Lexmond van Vos/ABB ziet de toekomst van Yunus Emre in elk geval positief in. "Sommige islamitische scholen zijn nog in de eerste fase. De fase waarin de identiteit voorop staat, waarin iedereen nog heel erg bezig is met de religie en normen en waarden. Bij Yunus Emre staat inmiddels voorop dat leerlingen goed onderwijs krijgen. Dat lijkt me een goed uitgangspunt - die komen er wel."

Opbrengst
Islamitische basisscholen presteren in het algemeen als het om de leeropbrengsten gaat een fractie beter dan vergelijkbare ‘zwarte' scholen. Zij blijven echter ver achter vergeleken bij de gemiddelde basisschool en in deze situatie is in de afgelopen tien jaar niets veranderd. Onderzoeker Geert Driessen van het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen concludeert daarom dat één van de motieven om eigen islamitische scholen te stichten, de verbetering van de onderwijskwaliteit, niet gehaald wordt. Het onderzoek Opbrengsten van islamitische basisscholen* werd in juni van dit jaar gepubliceerd. In opdracht van het ministerie van Onderwijs werd voor de vierde keer onderzoek gedaan naar de prestaties van leerlingen van islamitische scholen. De Onderwijsinspectie rapporteerde in april van dit jaar dat van de 93 zeer zwakke scholen in Nederland er 4 islamitisch zijn. Van de 43 islamitische scholen zijn er in totaal 11 waar de inspectie zich zorgen over maakt en waar afspraken gemaakt zijn om op korte termijn tot verbeteringen te komen. De inspectie beschikt echter niet over de gegevens op leerlingniveau. Onderzoeker Driessen denkt dat het juist vanwege de aanhoudende negatieve berichtgeving van belang is het functioneren van islamitische scholen in een ruimer vergelijkend perspectief te bezien. Hij maakte daarvoor gebruik van de informatie uit de Prima-cohortstudie, een landelijk onderzoek onder 600 basisscholen, waar de helft van de islamitische scholen aan mee deed. Ook de ouders, leerlingen en leerkrachten werden bij dat onderzoek betrokken. Als het gaat om taal, rekenen en lezen, dan zijn hun prestaties iets beter dan vergelijkbare zwarte scholen, maar ze presteren lager tot veel lager vergeleken bij ‘referentiescholen'. Dat zijn scholen met een landelijk gemiddelde. Opvallend is dat er op islamitische scholen, gezien de prestaties, relatief hoge adviezen voor het voortgezet onderwijs worden gegeven. Die adviezen liggen flink hoger dan op de vergelijkingsscholen. Een ander opvallende factor is dat bij leerlingen van islamitische scholen thuis minder Nederlands wordt gesproken dan bij leerlingen van vergelijkingsscholen. Verder valt op dat de kinderen wel allemaal ongeveer even vaak een kinderdagverblijf bezoeken, maar dat de kinderen van islamitische scholen minder naar een peuterspeelzaal gaan. Driessen vreest dat de aanhoudende bestuursperikelen waar veel islamitische scholen mee te maken hebben, er de oorzaak van zijn dat er onvoldoende tijd en energie beschikbaar is om een ‘kwaliteitsslag' te maken gericht op het onderwijsproces zelf. Het gevolg van de crisis binnen de islamitische zuil is ook dat alle scholen in een kwaad daglicht komen te staan. Nieuw opgerichte scholen trekken daardoor onvoldoende leerlingen omdat de ouders eerst de kat uit de boom kijken. Schoolbesturen zullen dus eerst beter moeten functioneren om ook de prestaties van de leerlingen te kunnen verbeteren.

*)Opbrengsten van islamitische basisscholen, Geert Driessen, ITS Radboud Universiteit Nijmegen.

Doormailen    Printversie








andere achtergrond