Bron het Onderwijsblad Publicatiedatum 10.06.2006 Auteur Gaby van der Mee & Robert Sikkes

Het examendossier

Schoolexamen zorgt voor opwaartse druk eindexamencijfers
Beoordelingsverschillen maken diploma's ongelijkwaardig
Vwo-leerlingen meest bevoordeeld
Particuliere scholen krikken resultaten vwo'ers op met schoolexamen

Sinds de invoering van de tweede fase halen veel meer leerlingen hun havo- en vwo-examen. Dit schooljaar barstte de kritiek los op de kwaliteit van het studiehuis. Het niveau zou zijn gedaald, de eindexamens waren te gemakkelijk, de aansluiting met het hoger onderwijs was ronduit pet. Publieke twijfel over het niveau is voor het imago van voortgezet onderwijs niet goed. Het Onderwijsblad haalde daarom ongepubliceerde stukken van de Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (Cevo) boven water, las inspectierapporten, keek naar de normeringssystematiek van het Cito en vroeg de sociologen Marloes de Lange en Jaap Dronkers onderzoek te doen. In het intermezzo tussen examens en uitslag, een dossier over het niveau van het studiehuis en de examens.

De belangrijkste conclusies uit het examendossier van het Onderwijsblad op basis van alle publicaties:

  • Het centraal schriftelijk wordt eerder strenger dan soepeler beoordeeld. Tot 2000 werd alleen de beoordeling van te moeilijke examens verlicht, sindsdien worden ook te makkelijke verzwaard.
  • Het niveau van de vakken is volgens de Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (Cevo) gemiddeld genomen gelijk gebleven.
  • Het gewicht van het schoolexamen in de eindbeoordeling is fors toegenomen. Vooral voor vakken die alleen een schoolexamen hebben, zo ziet de Cevo, worden nauwelijks meer onvoldoendes gescoord. Scholen vertellen dat leerlingen herkansen tot ze een onvoldoende weggewerkt hebben.
  • Onderzoekers Marloes de Lange en Jaap Dronkers signaleren dat een flinke groep scholen er bij het schoolexamen een eigen cijfercultuur op na houdt, die de waarde van het diploma ondergraaft.
  • Vooral vwo-leerlingen worden op deze scholen jarenlang systematisch met hoge cijfers voor het schoolexamen bevoordeeld, zonder dat de inspectie ingrijpt.
  • Het gaat om allerlei scholen, waarbij particuliere scholen, vrije scholen en zwarte scholen opvallen. Het kan ook anders: op zelfstandige gymnasia is het gemiddelde verschil tussen schoolonderzoek en centraal examen nihil.
  • In cijfers: een examenkandidaat op een particuliere school krijgt voor het schoolonderzoek over dezelfde stof gemiddeld zo'n 0,3 punt meer dan vwo-leerlingen in het algemeen en rond 0,5 punt meer dan een gymnasiumleerling.

• Daarnaast, zo zien de wetenschappers, groeit in de loop van de jaren het verschil tussen schoolexamen en centraal examen ten gunste van het eerste, waardoor in het vwo bovendien de slaagkans daadwerkelijk toeneemt.

Journalistiek en wetenschappelijk onderzoek
Bij de zoektocht naar gegevens over de veranderingen in de examens heeft de redactie van het Onderwijsblad de hulp ingeroepen van de wetenschappers Marloes de Lange, student sociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, en Jaap Dronkers, hoogleraar sociale stratificatie en ongelijkheid aan het Europees Universitair Instituut bij Florence. Zij hebben de rol van het centraal examen en de verhouding tussen centraal schriftelijk en schoolexamen onderzocht.
Dronkers was eerder betrokken bij de schoolprestatiecijfers van dagblad Trouw en publiceerde bij zijn afscheid als hoogleraar in Amsterdam ook al over de cijfercultuur van scholen bij het schoolonderzoek.
Voor de conclusies in het rapport Hoe ongelijkwaardig blijft het eindexamen tussen scholen? zijn deze twee auteurs verantwoordelijk. De redactie heeft hun gegevens gebruikt voor dit examendossier en de conclusies voorgelegd aan mensen in en rond het onderwijs.
De volledige tekst van het onderzoek en een bijlage met alle verschilscores tussen schoolonderzoek en centraal schriftelijk zijn te vinden onderaan deze pagina.

"Het eindexamen voortgezet onderwijs is, bij alle veranderingen die het onderwijs ondergaat, een baken. Daar wordt het eindniveau stevig vastgelegd." Zo omschrijft Walter Dresscher, voorzitter van de Algemene Onderwijsbond, het belang van een eindexamen waar de maatschappij vertrouwen in heeft.
"Vooral het centraal schriftelijk is een belangrijk element in de kwaliteitsbewaking. Wanneer je dat zou afschaffen of het belang daarvan vermindert, heeft dat grote gevolgen. Het hoger onderwijs bijvoorbeeld zal dan zelf gaan selecteren, waarbij de ene instelling kiest voor concurrentie op kwaliteit en de andere juist koerst op het aannemen van grote aantallen studenten. Dat zal een neerwaartse druk geven op de gemiddelde kwaliteit van het voortgezet onderwijs. Je ziet dat in landen die geen centraal examen hebben. Daar heerst grote onzekerheid over het niveau."
Een van de landen zonder centraal georganiseerd examen is de Verenigde Staten. Al jaren bepleit de American Federation of Teachers een stelsel met vaste normen waaraan leerlingen op de middelbare school moeten voldoen, voordat ze door mogen naar het hoger onderwijs. Marloes de Lange en Jaap Dronkers benadrukken eveneens het belang van een centrale afsluiting. "Zulke examens prikkelen studenten om goed te scoren", constateren zij op basis van onderzoek van de wetenschappers Bishop en Wößmann. "Binnen een schoolsysteem waar examens slechts op klassikaal niveau worden afgenomen, heerst een mentaliteit van ‘niet werken'. Wanneer namelijk niemand echt hard werkt, ligt de lat lager en hoeft niemand zich zwaar in te spannen om toch gemiddeld te scoren. Dit verandert als de meetlat niet langer binnen de eigen klas of school ligt, maar daarbuiten."

Slimmere populatie
In Nederland bestaat een mix: een centraal examen èn een schoolexamen, die samen het eindresultaat bepalen. Het eindniveau van havo en vwo ligt echter zwaar onder vuur. Afgelopen najaar verschenen tal van publicaties - opiniestukken, boeken, rapporten - die openlijk twijfelden aan de kwaliteit van het studiehuis. Opmerkelijk genoeg is het aantal geslaagden in het studiehuis gestegen. Schommelde het slagingspercentage vóór invoering op de havo rond de 83 procent en op het vwo rond de 86 procent, sinds de eerste studiehuisexamens zijn afgenomen ligt dat voor het havo op 90 procent en bij het vwo op 94 procent.
Critici van het studiehuis wisten meteen waar het aan lag: het gevraagde eindniveau was verlaagd. In het boek Steeds minder leren, een verzameling essays uitgegeven ter gelegenheid van het vijfde lustrum van de Vereniging Vrienden van het Gymnasium, werd betoogd dat de lesstof is verworden tot een armzalig aftreksel van de periode vóór het studiehuis. Ingezonden brieven in kranten wezen op machinaties van het Cito, dat met de normering zou rommelen om het percentage geslaagden omhoog te krijgen.
Het evaluatierapport Zeven jaar tweede fase van het Tweede Fase Adviespunt voedde, met een daarin opgenomen enquête, de gedachte dat de aansluiting met hogeschool en universiteit enorm verslechterd zou zijn. Sommige universiteiten kondigden al eerder aan dat zij zelf eerstejaars gingen selecteren. Opmerkelijk was overigens dat de Universiteit Leiden afgelopen week met dat experiment weer stopte: de eigen selectie pakte slechter uit.
Wat de critici vergaten was dat een flinke groep jongeren uit angst voor de aangekondigde verzwaring van het studiehuis een niveau lager koos: er waren 10 procent minder vwo-leerlingen en 15 procent minder havo-leerlingen. Misschien is daardoor de populatie wel slimmer geworden. De inhoud van de vakken is flink aangepakt: sommige vakken kregen meer uren, andere minder. Heeft dat effecten? Wat men vooral lijkt te vergeten is dat de samenstelling van het examen enorm is veranderd, de rol van het schoolexamen is fors toegenomen.

Praktische opdrachten
Vóór het studiehuis kozen leerlingen zes (havo) of zeven (vwo) examenvakken, waarin ze schoolonderzoek deden èn centraal schriftelijk. Die bepaalden samen het eindcijfer. Tegenwoordig gaat het om vijftien eindcijfers. Afhankelijk van de schoolsoort wordt ongeveer de helft daarvan bepaald door vakken die èn landelijk èn op school worden getoetst.
En dan zijn er nog de vakken met alleen een schoolexamen. In verscheidene rapporten wordt op de toegenomen rol van het schoolexamen gewezen en op de onduidelijke gevolgen daarvan. Al in maart schreef de Cevo in een stuk dat binnen verschillende commissies circuleert, Het niveau van de centrale examens in vwo en havo: ‘Vakken die in de oude stijl van het schoolonderzoek lage cijfers hadden, blijken in de nieuwe stijl hogere cijfers te krijgen.' Bovendien zijn de onvoldoendes bij schoolexamens in vakken waarvoor geen centraal schriftelijk bestaat, nagenoeg verdwenen.
De Cevo oordeelt niet echt over de schoolexamens, want dat valt niet onder haar taak (helaas, zegt de commissie zelf in het rapport). Heel even wordt het onderwerp aangestipt. De Cevo vindt het namelijk te makkelijk om te zeggen dat de scholen het niveau hebben verlaagd. Het is ook mogelijk dat leerlingen voor niet-centraal getoetste vakken doorwerken tot ze een voldoende hebben.
Ook de Onderwijsinspectie signaleert in het meest recente Onderwijsverslag dat vooral het schoolexamencijfer omhoog is gegaan. Op het havo een beetje, op het vwo zichtbaar meer. De kwaliteitscontroleurs hebben op basis van gesprekken met scholen de indruk dat de relatief hoge se-cijfers komen door de praktische opdrachten, die blijkbaar hoog scoren. Ook de spreiding in de tijd van de schoolexamentoetsen heeft volgens directies een positieve invloed op de cijfers. Meestal worden die schoolexamens in het vierde of vijfde jaar afgenomen, in ieder geval in het jaar vóór het examenjaar. Leerlingen krijgen vóór het centraal schriftelijk de mogelijkheid om te herkansen en ook dat heeft waarschijnlijk een gunstig effect op het uiteindelijke cijfer. Zo kent het Libanon Lyceum in Rotterdam vier toetsperiodes per jaar, een leerling mag per periode één vak herkansen. Daarbovenop mag hij aan het eind van het jaar één herexamen doen voor een onvoldoende.
Rector Scharff denkt dat zijn systeem op veel andere scholen min of meer hetzelfde is. Hij vindt het redelijk om dergelijke herkansingen te geven omdat een 4 of een 5 een behoorlijke handicap kan zijn in het uiteindelijke eindexamenjaar. "Een leerling heeft dan nog een heel jaar te gaan en bij de oude examens waren er ook altijd herkansingen mogelijk." Dat door deze herkansingen de cijfers omhoog zijn gegaan vindt hij alleen maar gunstig. "Het gaat niet ten koste van de kwaliteit, ze krijgen gewoon de gelegenheid om het vereiste niveau te halen. Ze zijn tenslotte op school om te leren van hun fouten."
Andere scholen kiezen ervoor om een vak al halverwege het jaar af te sluiten. Leerlingen die dan geen voldoende hebben, gaan tot het eind van het jaar door met de lessen, waarna er opnieuw wordt getoetst.

Sluipend effect
Toch verklaart dat alles niet volledig de toename van het verschil tussen het schoolexamen en het centraal examen. Bij zijn overstap van onderwijskunde naar sociologie signaleerde hoogleraar Jaap Dronkers al opmerkelijke verschillen in de cijfercultuur van scholen. Op de ene school werd het schoolonderzoek duidelijk hoger beoordeeld dan op de andere, terwijl de stof in principe gelijk is. Te grote verschillen - en die bestonden - maken de diploma's havo en vwo ongelijkwaardig.
In het onderzoek dat De Lange en Dronkers nu uitvoerden met cijfers over acht examenjaren, ontdekten zij de volgende trends:

  • Het verschil tussen schoolexamen (se) en centraal schriftelijk (ce) wordt in de loop van de jaren groter.
  • De groei van de verschilscore (se-ce) is het sterkst in het vwo met 0,2 en het kleinst op de mavo.
  • Scholen met een hoge verschilscore kennen ook grote uitschieters naar boven in de beoordeling van het se. Deze kan oplopen tot een verschil van wel twee punten voor het se ten opzichte van het ce bij meerdere vakken.
  • Het gaat om een redelijk vaste groep scholen met grote verschillen tussen se en ce: 142 vwo-afdelingen, 55 havo, 189 mavo. Daaronder opvallend vaak zwarte scholen, vrije scholen en particuliere scholen.
  • Onder de ‘strenge' scholen, met een klein verschil tussen se en ce, zitten bij het vwo opvallend veel zelfstandige gymnasia.
  • Het hoog beoordelen van het se helpt alleen op het vwo leerlingen aan een diploma. Op havo en mavo/vmbo-t is het hogere se-cijfer onvoldoende om een slecht centraal schriftelijk te compenseren.

De conclusies die Dronkers op basis van deze gegevens trekt zijn hard. "De intrinsieke waarde van het diploma wordt langzaamaan steeds ongelijkwaardiger", zegt hij desgevraagd. "De groei is niet sterk per jaar, maar juist het sluipende effect is verontrustend. Bovendien vind ik dat de Onderwijsinspectie faalt. Deze claimt dat er wordt ingegrepen bij een verschil van één punt of meer, maar dat blijkt niet uit de gegevens. Een vaste groep scholen kan jaar in jaar uit onverklaarbaar hoge se-cijfers geven, zonder dat wordt ingegrepen. Soms doet een inspecteur dat wel, maar dat gebeurt weinig effectief."
Opvallend is dat de trend het sterkst is bij het hoogste onderwijsniveau. De vwo-leerling wordt door hoge se-cijfers meer bevoordeeld dan de mavo-leerling. "Voor een onderwijssocioloog is dat geen verrassing", zegt Dronkers. "Leerlingen met hoogopgeleide ouders - een meerderheid op het vwo - krijgen van huis uit meer hulp en hebben een culturele bagage en flair, die aansluit bij wat er bij het schoolexamen wordt gevraagd. Zij profiteren daar meer van dan een mavo-leerling."

Effectloze inspectie
Van zwarte scholen begrijpt Dronkers wel dat deze relatief hoge se-cijfers geven. "Allochtonen hebben meestal een taalachterstand, waardoor dezelfde prestatie als een autochtoon toch moeilijker lijkt te zijn. Dat vertaalt zich in een hoger oordeel." Het is vergelijkbaar met de jarenlange praktijk om allochtone kinderen op de basisschool een relatief hoog advies te geven. Deze houding van scholen pakt volgens Dronkers alleen volledig averechts uit. "Omdat allochtonen een lager prestatieniveau hebben dan hun diploma suggereert, zullen werkgevers op den duur dit diploma minder zwaar wegen en dus minder snel een allochtone werknemer aannemen. Wat een allochtoon vervolgens ervaart als discriminatie, omdat zijn autochtone klasgenoot met hetzelfde diploma wèl een baan krijgt."
In het onderzoek wordt apart aandacht besteed aan de particuliere scholen. Het kostte het Onderwijsblad moeite om deze gegevens te krijgen. In het bestand van de kwaliteitskaart komen de particuliere scholen hoogstens één jaar voor. Vreemd, omdat alle bekostigde scholen open en bloot met al hun gegevens op www.kwaliteitskaart.nl staan. Maar op de inspectie-site valt geen enkel prestatiegegeven van de particuliere scholen te vinden. Terwijl het bij de keuze van een particuliere school voor de onderwijsconsument toch van belang is om te weten waarvoor hij duizenden euro's schoolgeld gaat betalen. Pas na lang aandringen leverde de inspectie een uitgebreider bestand van de examenresultaten van de particuliere scholen.
Daaruit werd volgens De Lange en Dronkers duidelijk dat het verschil tussen se en ce bij particuliere scholen gemiddeld uitkomt op 0,6 structureel hoger. Bij vwo-scholen ligt dat op 0,3. Zelfstandige gymnasia komen nog lager uit: 0,1. Het betekent dat bij dezelfde stof in het schoolonderzoek leerlingen van particuliere scholen gemiddeld 0,3 meer krijgen dan een vwo-leerling en 0,5 meer dan gymnasiumeindexamenkandidaten. Uitschieters zijn er ook. Bijna een vol punt, meer drie jaar lang, over alle examens komt voor.
Dronkers oordeelt hard: "Opnieuw blijkt het effectloze optreden van de inspectie. Uitbreiding van het aantal particuliere scholen, zonder afdoende toezicht, draagt het gevaar in zich dat nog meer scholen tegen betaling een diploma met een lagere intrinsieke waarde kunnen uitreiken."

Gecommitteerde
Alles bij elkaar schetst het onderzoek een weinig rooskleurig beeld van het schoolexamen. Als het aan Dronkers ligt, worden zowel de cijfers van het schoolonderzoek als van het centraal examen gepubliceerd. Beide cijfers komen dan voor op de eindlijst en iedereen kan dan zijn eigen conclusies trekken. "Op basis van de gegevens die wij hebben verzameld, zou dat mijn advies aan de minister zijn."
AOb-voorzitter Walter Dresscher vindt dat het schoolexamen nu recht doet aan de inkleuring van het onderwijs en het educatieve proces. "Het is er niet voor niets gekomen. Het toetst een aantal praktische vaardigheden die je in het centraal schriftelijk niet kwijt kunt. De hoogte van de verschilscore - of dat nu 0,2 of 0,4 is - vind ik relatief onbelangrijk. Wel is het een verkeerd signaal als er scholen zijn die systematisch van het gemiddelde afwijken. Ook ik vind dat de inspectie daar haar toezichthoudende rol moet spelen."
Als het gaat om de particuliere scholen ziet Dresscher liever dat zij gebruikmaken van staatsexamens om het eindresultaat te beoordelen. "Ik heb nooit begrepen waarom die hun eigen examens mochten gaan afnemen, terwijl de druk om resultaat te leveren voor al dat geld daar zo enorm is. Natuurlijk is het staatsexamen met de invoering van de tweede fase lastiger uitvoerbaar geworden. Maar ik vind het van professionaliteit getuigen als een school die als bedrijf opereert, zich extern laat toetsen. Dat voorkomt ontwikkelingen zoals ze nu aan het licht komen."
Volgens Dresscher heeft de overheid zelf sluipenderwijs de kwaliteitsbewaking van de examens om zeep geholpen. "Dat begon met het schrappen van de gecommitteerde - een externe deskundige, vaak een hoogleraar of een universitair docent -bij het mondeling examen. Ik denk nog steeds dat dat voor school en leerling positieve effecten had. Bovendien begrepen voortgezet onderwijs en hoger onderwijs elkaar toen beter. Er was een wisselwerking, omdat beide sectoren bij alle vakken wisten waar ze mee bezig waren."
Voor de verhouding tussen schoolexamen en centraal schriftelijk ziet de AOb-voorzitter één lichtpuntje. Er komen veranderingen die de toegenomen invloed van het schoolexamen weer beperken. "In 2007 worden vakken gewogen. Een vak als natuurkunde met een hoge studielast zal bij het eindcijfer meer gewicht in de schaal leggen. Nu wordt bijvoorbeeld. wiskunde B, met een hoge studielast, net zo zwaar meegeteld als geschiedenis, met een lage studielast. Ook het verdwijnen van veel deelvakken - die vaak alleen een schoolexamen hebben - maakt dat het gewicht van het centraal schriftelijk weer toeneemt."

Strengere normhandhaving
Jarenlang perfectioneert het Cito de ‘normhandhaving'. In het verleden werden uitsluitend bij fouten of te moeilijke examens extra punten uitgedeeld. Bij de meeste vakken betekenden te makkelijke examens mazzel voor de eindexamenkandidaten. Die situatie is in 2000 veranderd.
Vanaf dat moment worden alle examens afhankelijk van het vak vooraf of achteraf genormeerd ten opzichte van een ‘referentie-examen'.
Dat is een set opgaven waarvan de examenmakers - een team van docenten uit examenklassen - vinden dat het een goede weergave is van de stof, waarvoor de gemiddelde leerling een voldoende moet kunnen halen. De scores van de leerlingen worden na een steekproef van de eerste resultaten met behulp van een formule en een N-norm omgezet in het eindcijfer. Als het eindexamen te moeilijk was of als er fouten in zaten, wordt er net als vroeger gecompenseerd en gaat de N-norm omhoog. Nieuw is dat de N-norm omlaaggaat als het examen te makkelijk was. Het systeem is verfijnder, en eerder strenger in plaats van soepeler.
Omhoog en omlaag komen allebei even vaak voor. Wiskunde is op havo en vwo de laatste jaren vaak te moeilijk, maar te moeilijk is weer geen typisch bètavakkenverschijnsel. Natuur- en scheikunde zijn al een paar keer op de havo ietsje te makkelijk geweest, waarop de cijfers naar beneden zijn bijgesteld. Geschiedenis heeft in beide categorieën gezeten. Latijn en Grieks zijn al jaren te moeilijk.
Voor de talen is het zelfs mogelijk om met de gegevens in de hand iets te zeggen over het eindniveau van de verschillende examenjaren. Zo gaat de kennis van Duits er in havo en vwo het laatste jaar weer op vooruit, Engels is stabiel op vwo en stijgt de laatste drie jaar op havo, het Frans op havo wordt slechter.

Niveau vakken gemiddeld gelijk
De veranderingen in het examenprogramma en de geprogrammeerde studielast hebben grote gevolgen gehad voor het niveau van afzonderlijke vakken op het centraal schriftelijk, zo constateert de Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (Cevo). Gemiddeld genomen is het niveau gelijk gebleven, luidt de eindconclusie. ‘Opmerkelijk, omdat de gemiddelde studielast per vak minder is', constateert de Cevo. Dus met minder uren dezelfde resultaten: ‘Een factor zou kunnen zijn dat in veel vakken het onderwijs ook de vaardigheidsontwikkeling in andere vakken bevordert.'
Die bespiegelingen staan in de notitie Het niveau van de centrale examens in vwo en havo. Het stuk circuleert al maanden in ambtelijke kringen, maar is wonderbaarlijk genoeg niet openbaar gemaakt. Wonderlijk, omdat voor het eerst zeer zorgvuldig op een rij is gezet wat de gevolgen zijn geweest van alle veranderingen. Niet bij alle vakken valt er iets te zeggen over het niveau dat leerlingen nu beheersen, vergeleken met vroeger. Sommige vakken zijn nieuw of zo ingrijpend veranderd dat vergelijking niet mogelijk is. Waar dat wel kan, signaleert de Cevo de volgende verschuivingen:

VWO
zwaardergelijklichter

Nederlands

Natuurkunde 1,2

Scheikunde 1,2

Biologie

Engels

Wiskunde A 1,2

Natuurkunde 1

Scheikunde 1

Economie 1,2

Kunstvakken

Maatschappijleer

Grieks

Latijn

Frans

Duits

 
HAVO
zwaardergelijklichter

Nederlands

Natuurkunde 1,2

 

Engels

Wiskunde A 1,2

Wiskunde B 1,2

Natuurkunde 1

Kunstvakken

Maatschappijleer

Frans

Duits

Scheikunde

Handicap van de taal
Kars Veling, rector van het Johan de Witt College in Den Haag, wil een te groot cijferverschil tussen schoolonderzoek en het centrale eindexamen niet goed praten. Op zijn school ligt het gemiddelde verschil op 1,26. Maar meer dan twee punten komt voor. "Ik kan er wel een verklaring voor geven. Het schoolonderzoek heeft een ander karakter dan het eindexamen. Het is wat praktischer, bij de eindexamens is er vaak de handicap van de taal. Mondelinge toetsen zijn voor onze leerlingen makkelijker."
De openbare brede scholengemeenschap telt zes vestigingen en 2400 leerlingen en honderd nationaliteiten. Veling wil niet de indruk wekken dat hij het verschil in becijfering accepteert. "Het is bij ons zeker onderwerp van gesprek, hoewel het niet het belangrijkste onderwerp was tijdens de laatste ontmoeting met de inspectie."
De school heeft ook internationale schakelklassen met twaalf- en dertienjarigen die nog Nederlands moeten leren. Volgens Veling zijn dit vaak pientere leerlingen die goed zijn in de zaakvakken en daar een profiel bij kiezen. "Dan kan ik me voorstellen dat het met vakken als Nederlands en Engels wat minder gaat." De rector is daarom niet zo somber over de toekomst van deze leerlingen." Voor hen is dit topsport, maar ze redden het wel." De sombere voorspelling van Dronkers dat werkgevers leerlingen van zwarte scholen niet zullen accepteren omdat het niveau daar lager is, deelt hij niet. "Wij volgen al onze leerlingen die doorgaan naar het mbo, hbo of de universiteit. Juist omdat het bij die overstap vaak fout gaat, proberen wij het zo persoonlijk mogelijk aan te pakken. Tot nu toe hebben wij geen reden gehad om te twijfelen aan het niveau van onze leerlingen."
Op het Johan de Witt wordt momenteel geëxperimenteerd met eindexamens op meerdere momenten in het jaar.
Inspectie let wèl op
Voor de gymnasia liggen de zaken precies omgekeerd. Daar maken de leerlingen de schriftelijke eindexamens doorgaans iets beter, waardoor het verschil met het schoolonderzoek soms zelfs negatief uitvalt. Het gemiddelde ligt op 0,1. Zijn de gymnasia te streng voor hun leerlingen? Bunna Arends, rector van het Praedinius Gymnasium in Groningen, denkt dat het meevalt. "We moeten natuurlijk oppassen dat we onze leerlingen geen onrecht doen. Dat ze bijvoorbeeld niet worden ingeloot voor een studie omdat ze door ons schoolonderzoek punten tekortkomen." Dat is nog nooit voorgekomen, maar er wordt wel op gelet dat de verschillen niet te groot worden. Volgens Arends hebben de goede resultaten van de leerlingen vooral te maken met de manier van lesgeven. "Iedereen zegt altijd dat het voor ons makkelijk is omdat wij de intelligentste leerlingen binnenkrijgen, maar het is ook omdat wij vanaf groep 1 het analytisch vermogen van de leerlingen trainen en eisen aan hen stellen."
Haar ervaring met de inspectie is dat er wel degelijk controle is op de verschillen. "Het is zeker een onderwerp van gesprek. Ook intern, wanneer bij een van de secties een groot verschil wordt geconstateerd, dan gaan we na hoe dat komt. Ik weet dat op heel veel scholen de samenstelling van het schoolonderzoek niet wordt overgelaten aan één docent, maar dat de hele vaksectie er zich over buigt. Zo bouw je controle in. Bij ons geven de docenten les aan alle klassen, dus ze kunnen een oordeel geven over examentoetsen." Ze denkt daarom dat een kleine vwo-afdeling, waar maar een paar docenten verantwoordelijk zijn, het moeilijker heeft. Arends vindt dat het centraal examen als ijkpunt moet blijven bestaan. "Natuurlijk klopt de discussie dat het moeilijk is precies vast te stellen wat het juiste niveau is, ieder jaar zijn er discussies over de normen van het centrale examen. Toch vind ik niet dat je het volledig aan de scholen zelf moet overlaten. Vooral omdat de onderwijskundige aanpak inmiddels per school verschilt, is het goed die landelijke controle te houden. Wat nog wel een verbetering zou kunnen zijn is het spreiden van de examens."

Beter een jaartje langer 

"Met het intellectuele niveau van onze leerlingen heeft het volgens mij niet zoveel te maken. Waarschijnlijk is onze onderwijskundige aanpak meer toegesneden op deze doelgroep en worden daardoor de eigen toetsen beter gemaakt." Cor Meijer, woordvoerder van de Esprit Scholengroep in Amsterdam, is op de hoogte van de verschillen tussen de cijfers van het schoolonderzoek en de centrale examens. "Wij krijgen ieder jaar keurig een uitdraai. Natuurlijk is het geen bewust beleid, wij proberen zoveel mogelijk die verschillen te voorkomen."
Drie Espritvestigingen staan in het rijtje van twintig scholen met de grootste verschillen. Bij de Espritgroep zijn alle onderwijssoorten te vinden, van vmbo tot gymnasium. Veel leerlingen zijn van allochtone afkomst en komen gemiddeld met een lagere Cito-score binnen. "Er is al vaak een achterstand waar we mee te maken krijgen. Ik denk dat onze docenten daar in hun taalgebruik, bijvoorbeeld bij proefwerken, rekening mee houden. Het niveau hoeft daardoor niet lager te zijn." Volgens Meijer, die zelf 32 jaar docent was, staan zwarte scholen altijd onder grote druk. "Als onze leerlingen er een jaar langer over doen, hoor je weer dat de doorstroming niet deugt. Dan krijgen we een negatief oordeel in de beoordeling van Trouw. Tegelijkertijd moeten we voorkomen dat leerlingen voortijdig de school verlaten. Persoonlijk denk ik dat ze er beter een jaartje langer over kunnen doen, dan dat ze weer in een herintredersproject belanden. Het Marcanti (vmbo en havo-onderbouw) heeft bijvoorbeeld tegenwoordig een vijfjarige stroom.
Het streven van de Esprit Scholengroep is om het verschil terug te brengen naar 0,8. Nu varieert het gemiddelde per vestiging van 1,15 tot 0,91 en komt een verschil van twee punten per vak voor. "Wanneer dat gebeurt, proberen we te achterhalen waar het hem precies in zit. Op het Cartesius heeft het bijvoorbeeld geleid tot intervisie en is er externe hulp gekomen. Dus echt, we doen er alles aan."

Niet goed voor de naam
"Vorige week heb ik de inspectie hier nog gehad. Die vond de verschillen tussen de cijfers van het schoolonderzoek en de eindexamens niet zorgelijk. Ze hadden ook per vak geen gekke dingen gevonden, geen hoger verschil dan 1. Dus ik ben wel benieuwd naar dat onderzoek van Dronkers."
Rens Koole is directeur van het Luzac College, een particuliere school met vestigingen, verspreid over het hele land. In het onderzoek springen particuliere scholen als groep met een gemiddeld verschil van 0,6 eruit. Een eindexamenkandidaat krijgt op een particuliere school gemiddeld 0,3 punten meer dan een leerling op een regulier vwo. Bij het Luzac ligt het verschil voor het vwo al zes jaar lang rond de 0,6. Koole zegt te streven naar een verschil van 0,5. Maar hij legt intern geen dwingende normen op. "De meeste leerlingen komen bij ons omdat ze denken op hun oude school hun examen niet te zullen halen. Ze moeten heel hard werken, na negen weken hebben we al het eerste schoolexamen. Degenen die dachten bij ons makkelijk hun examen te halen, zijn dan wel van dat idee afgebracht." Hij kan niet namens alle particuliere scholen praten, bij sommige liggen de verschillen hoger. "Dat is jammer want dat is natuurlijk niet goed voor onze naam. Juist daarom doen wij er alles aan om het verschil naar beneden te brengen en staan wij open voor feedback van de inspectie. Wij hebben het APS gevraagd om ondersteuning. Aan de andere kant denk ik dat wij het nog heel goed doen. Ik ken scholen die elke maand een deel van de stof examineren en daarbij ook nog herkansingen geven. Op de dertien vakken kan er bij ons drie keer herkanst worden."
Dat de gymnasia het zo goed doen, begrijpt Koole wel. "De leerlingen die het daar niet redden krijgen wij hier, de selectie is daar heel erg groot." 
Hoofdinspecteur Leon Henkens: Civiel effect diploma loopt geen gevaar
"Een trend die de waarde van het eindexamen ondergraaft? Wij kunnen het niet zien op basis van dezelfde gegevens. De verschilscore tussen schoolexamen en centraal schriftelijk is na de invoering van het studiehuis inderdaad eenmalig groter geworden. Daar is een verklaring voor, zoals het afsluiten van vakken zonder centraal examen. Maar daarna zien wij toch een vrij vlakke lijn met lichte fluctuaties. Naar boven en beneden. Dronkers ziet een vals plat in de lijn, wij zien een vlakke lijn. Dat laat onverlet dat we de discrepanties tussen de twee examens scherp in de gaten houden. Al jaren."
Hoofdinspecteur Leon Henkens verwerpt resoluut het verwijt dat de Onderwijsinspectie de controletaak bij de examens verwaarloost. Hij wijst er op dat de inspectie zelf in 2000 de kwaliteit van het schoolonderzoek al op de agenda zette. In het Onderwijsverslag werd toen gewezen op de mogelijke onbetrouwbaarheid bij de opgaven en de beoordeling, omdat die vaak door een en dezelfde leraar werden gemaakt.
"Let wel, dat heeft er toe geleid dat het ministerie, Schoolmanagers VO en de organisatie Q5 werken aan een protocol hoe die schoolexamens gemaakt en beoordeeld moeten worden. Dat project bevindt zich in een eindfase. En als scholen volgens afspraken die zijn gemaakt in de sector, de verantwoordelijkheid nemen om de kwaliteit van de schoolexamens goed te borgen, is dat winst, een kwaliteitsverbetering."
Volgens Henkens worden bij alle kwaliteitsonderzoeken op scholen het slaagpercentage en de becijfering bekeken. "Als de verschilscores daar naar onze mening onverklaarbaar hoog zijn, staat dat ook in het schoolrapport en moet de school daar verandering in brengen. Komend jaar gaan we dat onderwerp ook nog systematischer aanpakken." Hij heeft niet de indruk dat het gaat om een vaste groep scholen, zoals Dronkers beweert. Bovendien heeft de inspectie maar beperkte bevoegdheden, volgens het eindexamenbesluit is het schoolbestuur hoofdverantwoordelijk.
Bij de zwarte scholen speelt volgens hem mee dat allochtone leerlingen extra lage cijfers halen voor het centraal schriftelijk, ook bij exacte vakken, door de grote ‘taligheid' van die centrale examens. "Onze conclusie is daarom niet dat het schoolexamen te hoog wordt gewaardeerd, maar dat er nog eens goed gekeken moet worden naar de taligheid van die centrale examens." Bovendien wordt door een hoge verschilscore het slaagpercentage bij zwarte scholen niet substantieel opgekrikt. "Het slagingspercentage is daar stukken lager en verandert niet door de hogere se-cijfers."
Wat de particuliere scholen betreft, erkent Henkens dat deze nog niet meelopen in de kwaliteitsbeoordelingen. Daarom staan er nog geen cijfers op internet. Bij de invoering van de nieuwe Wet op het onderwijstoezicht zijn deze ‘achteraan gekomen'. In het najaar beginnen de eerste schoolbezoeken op basis van het nieuwe waarderingskader, kondigt hij aan. Dat er te grote verschillen tussen schoolexamen en centraal examen zijn, vindt hij moeilijk te beoordelen. "Het gaat om heel kleine aantallen leerlingen. Het is daarom lastig om uit deze statistieken te concluderen of deze verschillen groot zijn."
De politiek, het ministerie en het onderwijsveld doen er volgens Henkens alles aan om de kwaliteit van het eindexamen hoog te houden en zo ook de waarde van het diploma voor het civiel effect. In zijn ogen blijkt dat ook uit de veranderingen die op stapel staan, zoals het schrappen van deelvakken, het meewegen van de studielast en een combinatiecijfer voor kleine vakken. Verder in de toekomst zal het ook mogelijk worden om het centraal examen op meerdere momenten af te sluiten. Allemaal verbeteringen, vindt Henkens. "Dronkers gebruikt grote woorden als hij zegt dat het civiel effect van het diploma gevaar loopt door ontwikkelingen in de examinering. Dat is niet aan de orde. Ik denk dat wij in Nederland trots kunnen zijn op ons gemengde examensysteem, met een schoolexamen en een centraal schriftelijk, en dat de kwaliteit van beide goed op orde is." 

Doormailen    Printversie








andere achtergrond