Financiering


In het voortgezet onderwijs is de lumpsum-financiering sinds 1996 een feit. Dat wil zeggen dat scholen in principe één buidel met geld ontvangen van het ministerie van Onderwijs, waaruit ze de belangrijkste kosten moeten betalen.

Die lasten bestaan voor veruit het grootste deel (85 procent) uit personeelskosten, de salarissen van docentenkorps, ondersteunend personeel, management en bestuur. Op hoeveel geld een school kan rekenen, hangt af van het aantal leerlingen dat op de teldatum 1 oktober staat ingeschreven. Scholen krijgen sinds 2006 niet meer per schooljaar betaald, maar per kalenderjaar. Naast de personeelskosten verstrekt het ministerie ook een bedrag voor de zogenoemde 'materiële component', waar onder meer onderhoud van gebouwen onder valt.
In tegenstelling tot het basisonderwijs, kent het voortgezet onderwijs al een behoorlijke tijd de lumpsum-financiering. Besturen kunnen zelf bepalen hoe ze het geld besteden. Ze kunnen besluiten om een deel van de middelen niet te besteden om de vermogenspositie te versterken. Middelbare scholen die teveel sparen - geld oppotten - zijn mikpunt van kritiek geworden na publicaties in het Onderwijsblad.
Een beperkt deel van de scholen vult de kas aan met geld van sponsors. Dat geldt zowel voor het basis- als voor het voortgezet onderwijs. Sponsoring is toegestaan, maar er zijn wel een aantal voorwaarden vastgelegd. Zo moeten scholen het sponsorbeleid opnemen in de schoolgids en het schoolplan, en dient er een klachtenregeling te zijn.







andere achtergrond