Bron Straksvoordeklas Publicatiedatum 05.2006 Auteur Hanne Obbink
Steeds meer vmbo-scholen zijn op zoek naar leraren die tien tot zestien uur voor één klas kunnen staan. Ze komen terecht bij pabo-afgestudeerden. Het Hooghuis Lyceum in Oss heeft bijvoorbeeld al twintig basisschoolleraren rondlopen die een groot deel van de week één groep leerlingen onder hun hoede nemen. Pabo's zien het gat in de markt en bieden leerroutes aan waarmee je tienerleraar of groepsleerkracht vmbo kunt worden. Een kans voor pabo-studenten die van pubers houden. "Je hoeft er echt geen haar voor op je tanden te hebben."
"Kleuters!", zegt Anneloes Theunisse meteen, als haar gevraagd wordt welke kinderen haar het leukst leken om les aan te geven, toen ze aan de pabo begon. "Tot ik stage liep in een kleuterklas; toen bleek dat het niets voor mij was. Stagelopen in groep 8 beviel me veel beter. Die kinderen hebben al een basis, ze hebben ook echt een eigen mening. Nu werk ik in het vmbo en dat vind ik helemáál leuk."
Het voortgezet onderwijs heeft Theunisse nooit getrokken. Elk uur een nieuwe klas, dat leek haar niets. Maar als mentor van een vmbo-klas geeft ze onder meer Nederlands, Engels en wiskunde. Al met al heeft ze veertien uur per week met dezelfde klas te maken. Dat bevalt goed, zegt ze. "Je bouwt een band met je leerlingen op. Als er iets aan de hand is, signaleer je dat snel. En je kunt ook beter op problemen inspelen als je zo'n klas echt onder je hoede hebt."
Lesgeven in het vmbo is anders dan in groep 8, merkt Theunisse op. "Leerlingen in groep 8 zijn binnen hun school ‘je van het'. Mijn leerlingen voelen zich juist absoluut niet ‘je van het'. Ze hebben nogal eens faalangst, omdat ze al vaak ervaren hebben dat ze iets niet kunnen. In groep 8 zijn de niveauverschillen groter en daardoor is het klassenmanagement misschien minder eenvoudig. Wat ik doe is op een andere manier moeilijk. De kracht van onze aanpak is dat leerlingen weer het gevoel krijgen dat ze wél iets kunnen."
Tienervariant
Theunisse werkt aan het Hooghuis Lyceum in Oss. Daar kwam ze terecht via een stage die ze volgde in het kader van de zogeheten tienervariant van de Fontys pabo in Den Bosch. Die variant leidt op voor de hoogste groepen op de basisschool én voor de lagere klassen in het voortgezet onderwijs, met name het vmbo. "Waarom zou de pabo zich beperken tot kinderen tot twaalf jaar? Die leeftijdsgrens is niet meer dan een toevallig streepje in de doorgaande lijn van de ontwikkeling van een kind", vindt directeur Margreet Verbunt.
De Fontys pabo behoort tot een groeiend aantal pabo's dat een taak voor zichzelf weglegt in het opleiden van leraren voor het vmbo. Nu is het nog zo dat wie in het vmbo aan de slag wil, officieel de tweedegraads lerarenopleiding moet volgen, omdat het vmbo deel uitmaakt van het voortgezet onderwijs. Maar niet iedereen is tevreden over die situatie. Lesgeven in het vmbo is iets anders dan lesgeven op havo/vwo-scholen, zeggen steeds meer deskundigen. Daarom zou er een aparte vmbo-lerarenopleiding moeten komen die geen vakdocenten aflevert, maar breed inzetbare groepsleerkrachten.
Die aparte lerarenopleiding is er echter nog niet en als het aan de minister ligt, komt die er ook niet. Maar de behoefte aan andere vmbo-leraren dan de gebruikelijke tweedegraders is er wél. Daarom werpen pabo's zich in de strijd om aan die behoefte te voldoen. Niet alleen Fontys, maar ook de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, de Hogeschool Rotterdam en de Hogeschool Inholland hebben vmbo-leerroutes aan hun pabo's opgezet. Meestal houdt zo'n variant in dat studenten zich in de laatste fase van hun studie op het vmbo richten, door er stage te lopen en ook door zich te verdiepen oudere kinderen.
Diplomatiek
"Wij vullen gewoon een gat in de markt", zegt Ron Kooren, directeur van de school of education van de Hogeschool Inholland in Rotterdam. Zijn pabo is begin vorig jaar gestart met een vmbo-leerroute. "Vmbo-leerlingen zitten vaak met problemen die met de puberteit te maken hebben, met hun situatie thuis, met een gebrek aan motivatie. Steeds meer scholen zien hoe belangrijk het is om daar goed mee om te gaan. Maar tweedegraads leraren zijn daar niet echt voor opgeleid. Die hebben in de eerste plaats een vak geleerd - aardrijkskunde of biologie of wat dan ook - en pas op de tweede plaats iets over kinderen. Bij pabo'ers is dat andersom. Tegelijk weten ze genoeg van aardrijkskunde, biologie of Engels om ook in die vakken les te kunnen geven."
De ervaringen in Rotterdam zijn nog pril, maar vijfentwintig studenten hebben de variant inmiddels weten te vinden. Die hebben zich kennelijk niet laten afschrikken door het slechte imago dat het vmbo vooral in de grote steden heeft. Want moet je als vmbo-leraar niet extra stevig in de schoenen staan? Kooren wil dat negatieve imago liever niet bevestigen en drukt zich diplomatiek uit. "De eerste jaren van het voortgezet onderwijs, waaronder het vmbo, vragen om docent met een behoorlijk pakket aan pedagogische vaardigheden."
Het Hooghuis Lyceum heeft inmiddels zo'n twintig pabo'ers rondlopen, waaronder dus Anneloes Theunisse. "Jonge meiden, die het uitstekend doen. Je hoeft er echt geen haar voor op je tanden te hebben", zegt Tom Brocks, directeur van een van de vmbo-locaties van het Osse lyceum. Voor zijn vmbo-afdeling zijn docenten als Theunisse een uitkomst, verklaart hij. "Wij willen werken met minder handen voor de klas. Een leraar moet een goede relatie opbouwen met de leerlingen. Dat is goed voor hun welbevinden en daarmee ook voor hun onderwijsprestaties. Daarom zoeken we leraren die tien tot zestien uur voor één groep kunnen staan. Leraren die van de pabo komen, kunnen dat."
Opstromen
De gedachte om ‘minder handen voor de klas' te zetten, is ontstaan toen het oude individueel voorbereidend beroepsonderwijs (ivbo) moest worden ingepast in het vmbo, vertelt Brocks. De voormalige ivbo-leerlingen gedijden niet in een onderwijsvorm waarin ze voor elk vak een andere leraar voor zich kregen. Daarom bedacht de school voor hen de ‘assistentenopleiding' (zo genoemd omdat die voorbereidt op het assistentenniveau van het mbo), waarin ze met slechts een paar leraren te maken kregen.
"Dat was een succes", stelt Brocks. "We hadden bij deze leerlingen altijd veel te maken met gedragsproblemen en die zijn nu grotendeels verdwenen. Ook komt het tegenwoordig veel vaker voor dat leerlingen ‘opstromen' naar een hoger niveau. Voor ons was dat reden genoeg om ook in de andere leerwegen te gaan werken met minder handen voor de klas."
Op zoek naar leraren die de vaardigheden hebben om veel met één klas op te trekken, kwam Brocks uit bij de pabo. "Leraren die van de tweedegraads opleiding komen, hebben voor dit beroep gekozen uit enthousiasme voor hun vak", verklaart Brocks. "Maar pabo'ers willen leraar worden uit enthousiasme voor het beroep. Dat is iets anders. Zij zijn meer gericht op de pedagogische kant van hun beroep en daar zijn ze ook beter in opgeleid. Ik hoor nu van vakdocenten die zien hoe het werkt: dit is hartstikke mooi, dit wil ik ook."
Iedereen blij, dus? Ja, voorlopig wel. Toch zit er één venijnige adder onder het gras. Want pabo'ers zijn officieel niet bevoegd om in het vmbo les te geven. Dus staan ze bij reorganisaties als eerste op straat. Om hun bevoegdheid te halen, moeten ze eerst een tweedegraads lerarenopleiding volgen. Dat kan in deeltijd, naast een baan als leraar, soms al binnen een jaar. Maar de ervaring leert dat dat er nogal eens bij inschiet, want wie wil er nu naast zo'n zwaar eerste jaar als leraar ook nog studeren?
Anneloes Theunisse heeft wel een aanvullende cursus voor leerwegondersteunend onderwijs gedaan. Maar of ze daarmee haar bevoegdheid heeft gehaald, weet ze niet eens precies. En van haar school hoeft ze geen stimulans te verwachten om die bevoegdheid alsnog te halen. Want, zegt Brocks, "ik heb liever dat ze zich specialiseren in vmbo-leerlingen, dan dat ze zich in een schoolvak verdiepen om zo hun bevoegdheid te halen."
| Twintigers voor een klas met 16-jarigen Drie pabo's doen eraan mee, maar het aantal studenten dat de route volgt, is nog op de vingers van één hand te tellen. En het aantal afgestudeerden dat daadwerkelijk aan de slag gaat bij een roc is nóg kleiner. Maar het kán wel: via de pabo leraar worden in het middelbaar beroepsonderwijs. De route is een paar jaar geleden opgezet door de Marnix Academie, de Hogeschool Domstad (beide in Utrecht) en de Ipabo (in Amsterdam en Alkmaar) in nauwe samenwerking met Roc Asa, een mbo-instelling met vestigingen in Utrecht, Amersfoort en Amsterdam. "Het roc had behoefte aan leerkrachten die goed zijn in de pedagogische kant van het lesgeven, in het begeleiden van groepjes leerlingen bijvoorbeeld", vertelt opleidingsmanager Paula Ensink van de Marnix Academie. "Nou, daar zijn pabo-studenten bij uitstek goed in, beter dan afgestudeerden van andere lerarenopleidingen. Dat was voor ons de reden mee te werken aan deze route." Maar is het niet vreemd om leerkrachten die zijn opgeleid voor onderwijs aan kinderen tot 12 jaar opeens voor de klas te zetten in een onderwijssector waar de leerlingen minstens 16 zijn? Volgens Ensink valt dat wel mee. Inderdaad, die mbo-leerlingen zijn soms bijna even oud als pabo-afgestudeerden, geeft zij toe. "Wie die deze route kiest, moet wel enige affiniteit met die leeftijdsgroep hebben. Studenten zelf vinden het juist een voordeel dat ze dichtbij hun leerlingen staan." Ensink vindt dat de route haar pabo-studenten goed genoeg voorbereid op die andere groep leerlingen, simpelweg doordat de pabo'ers in het laatste studiejaar vier dagen per week als leraar-in-opleiding op het roc ingezet worden. "Dat gaat heel goed. Doordat ze pedagogisch en didactisch al goed opgeleid zijn, kunnen ze zich op het roc in de praktijk snel nieuwe inhouden, nieuwe vakken eigen maken." |
Artikelen