Bron het Onderwijsblad Publicatiedatum 07.10.2006 Auteur Arno Kersten

Help de onderwijsassistent

Het middelbaar beroepsonderwijs is een belangrijke leverancier van pabostudenten geworden. Een derde van de instroom komt uit het mbo. De meeste van hen zijn onderwijsassistenten die volwaardig meester of juf willen worden. Bij gebrek aan perspectieven als assistent en aan vraag op de arbeidsmarkt. Ze hebben meer praktijkervaring dan havisten, maar tegelijkertijd vaak een vakinhoudelijke achterstand. De ervaringen van twee pabo's: de Marnix Academie in Utrecht en De Kempel in Helmond.

Een groeiend deel van de toekomstige basisschooljuffen en -meesters heeft een schoolcarrière van vmbo en mbo. Doorstromende mbo'ers zijn goed voor een derde van de instroom op de pabo's, ruim 3600 van de bijna 11.000 eerstejaars in 2005. Dat aandeel is de afgelopen vijf jaar licht maar gestaag toegenomen, zeggen cijfers van de Hbo-raad. Ter vergelijking: havisten vormden vorig jaar veertig procent van de pabo-eerstejaars. Vwo'ers zijn op de pabo een kleine minderheid.
Veruit het grootste deel van de instromende mbo'ers heeft het diploma onderwijsassistent op zak. Tien jaar geleden werd de functie in het leven geroepen om met ondersteunend werk in de onderbouw (groep 1 tot en met 4) de taken van de docent te verlichten. Maar onderwijsassistenten zien hun mbo-opleiding vaak meer als tussen- dan als eindstation, betoogt Geert Hendriks, voorzitter van het college van bestuur van pabo De Kempel in Helmond. "Veel leerlingen die de mbo-opleiding tot onderwijsassistent volgen, doen dat omdat ze willen doorstromen naar de pabo. Die hebben nooit de intentie gehad om onderwijsassistent te worden. Anderen komen er tijdens de opleiding achter dat je een beperkte functie uitoefent in de klas en dat ze dat niet jaren willen doen."
"Misschien leuk voor even, maar niet voor lang", vindt Marjolijn de Graaf, derdejaars pabostudent aan de Marnix Academie in Utrecht, die zelf doorstroomde als onderwijsassistent.
Maar er speelt nog iets mee: de beperkte vraag naar onderwijsassistenten. Onderzoeksbureau Regioplan heeft in opdracht van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (SBO) en Kenniscentrum OVDB onderzoek gedaan naar de overgang van mbo naar pabo, als onderdeel van een bredere studie naar de positie van de onderwijsassistent. Omstandigheden op de arbeidsmarkt drukken gediplomeerden in de richting van doorstuderen, stellen de onderzoekers. ‘Voor studenten die de capaciteit hebben dit niveau te halen is dit geen probleem. De omstandigheden zetten echter ook studenten die moeite zullen krijgen met het hbo-niveau, aan om door te stromen.'

Verwantschap
Een verkort paboprogramma voor onderwijsassistenten is niet vanzelfsprekend meer. Vanwege de verwantschapsregeling, die in februari vorig jaar verviel, moesten pabo's onderwijsassistenten een driejarig traject aanbieden.
Ook bij de Marnix Academie was dat tot voor kort het geval en werden onderwijsassistenten in homogene tweedejaarsgroepen geplaatst. Die vanzelfsprekende studieverkorting is losgelaten. Er is een nieuw, competentiegericht curriculum ontwikkeld dat stapsgewijs, dit collegejaar voor de propedeuse, wordt ingevoerd. Voorzitter van het college van bestuur Karel Aardse: "We hebben het nu omgedraaid. Iedereen stroomt in het eerste jaar in. Per student kijken we of hij op bepaalde vlakken zo ver is dat hij versneld door de studie kan."
Ook De Kempel gooit het over een andere boeg. "We zijn ogenblikkelijk overgestapt op de vierjarige opleiding voor iedereen", aldus Hendriks. "We werken nu bewust met heterogene groepen. Havo, vwo, mbo, iedereen bij elkaar. Als studenten laten zien dat ze versneld door de opleiding kunnen, dan is dat in het derde of vierde jaar. Nadrukkelijk niet in de eerste twee jaar, want daarin wordt de basis gelegd van didactiek en vakkennis."
Steeds meer pabo's overwegen de instroom in het tweede pabojaar af te schaffen, constateren de onderzoekers van Regioplan. ‘Deze omslag houdt verband met de opkomst van het competentiegerichte leren en de onvrede bij docenten over de effecten van de instroom in het tweede jaar.' Toch stellen ze vast dat in collegejaar 2005-2006 meer dan een derde van de onderzochte pabo's nog een verkort traject aanbood.

Reflectievermogen
Havisten, vwo'ers, mbo-onderwijsassistenten en andere mbo-studenten nemen allemaal hun verschillen mee naar de pabo. "Ze zeggen soms dat de vooropleiding niets uitmaakt, maar dat vind ik niet: de vooropleiding maakt wel wat verschil", aldus pabostudent De Graaf. Haar vriendin, Froukje Verburg, havist met profiel economie en maatschappij, beaamt dat. "Marjolijn is heel erg creatief. Ze had al veel ervaring met klassen."
"En Froukje heeft meer kennis", zegt De Graaf.
Verschillen zijn er ook in cijfers. De uitval onder mbo'ers (niet specifiek voor onderwijsassistenten) is hoger dan die onder havisten. Van de mbo'ers die in 2004 instroomden, viel na een jaar dertig procent uit, vier procent meer dan bij havisten. Overigens ligt de gezamenlijke uitval op de pabo's al jaren vier tot vijf procent onder het gemiddelde van het hele hbo.
Ook bij De Kempel haken verhoudingsgewijs meer mbo'ers af. Volgens voorzitter Hendriks ligt het aan "vakinhoud, zelfstandig kunnen studeren en reflectievermogen. Dat is bij mbo-studenten niet de sterkste kant."
Reflecteren is in het pabo-onderwijs een belangrijke vaardigheid, zegt Johan Spronk, opleidingsmanager bij de Marnix Academie. Verder hebben mbo-studenten, gevormd op het vmbo, bijvoorbeeld meer moeite met rekenvaardigheden. "Dat is een logisch verschil met havisten. Bij hen is het vaak makkelijker om die kennis terug te halen. Aan de andere kant hebben havisten vijf jaar lang geen basisschool meer van binnen gezien."
Mbo-onderwijsassistenten hebben vaak juist een didactische voorsprong. Toch plaatst Spronk daar een kanttekening bij. "Ze hebben door hun stages meer ervaring in de klas. Maar daardoor denken ze vaak dat ze didactisch al heel ver zijn, terwijl ze nog niet het niveau hebben van de leraar basisonderwijs."
"Het is toch wat anders wanneer je les moet geven met een stevige inhoud", aldus Hendriks.

Kopklas
De meeste pabo's in het onderzoek hebben geen specifiek bijspijkerprogramma voor mbo'ers. Wel blijkt dat mbo-doorstromers vaker van de beschikbare extra begeleiding gebruikmaken. De verscheidenheid aan begeleidingsvormen is groot: van zelfstudiepakketten tot zomercursussen, zoals onlangs bij de Saxionpabo in Deventer.
Veel pabo's proberen daarnaast hun samenwerking met meestal één of enkele regionale opleidingscentra (roc) in hun ‘voedingsgebied' te versterken. Dat moet leiden tot beter op elkaar afgestemde programma's. Marnix Academie en roc ASA hebben een vergaande vorm van voorbereiding opgezet, de kopklas. Daarbij volgen studenten die naar de pabo willen, op het roc een verzwaard traject. Zijn pabo zit in een netwerk met andere pabo's en roc's in de regio, zegt voorzitter Aardse. "Maar met roc ASA hebben we een inhoudelijke afstemming die verder gaat. De meeste mbo-studenten bij ons komen daarvandaan."
De praktijk laat zien dat pabo's en roc's vooral op de eigen regio gericht zijn. Een centrale coördinatie om een ‘richtsnoer' voor de aanpak te geven ontbreekt, stellen de onderzoekers. Voor zulke richtlijnen zijn de verschillen tussen pabo's en de regionale situatie te groot, vindt Hendriks. De collegevoorzitter van de Helmondse pabo ziet liever een andere maatregel om de instroom te sturen. "Ja, toelatingsvoorwaarden aan de poort. Ik weet dat de minister er niets van wil weten. Maar nu laat je eerst iedereen binnen, je verplicht ze in het eerste jaar een aantal toetsen te maken, en dan moet een deel weer weg."

Veters strikken
En dan het onderwijsassistentschap zelf. ‘Voor de mbo-studenten voor wie de opleiding tot onderwijsassistent qua niveau het hoogst haalbare is, zijn de ontwikkelingen misschien nog het meest zorgelijk', stellen de Regioplanonderzoekers. ‘Welke perspectieven worden hun immers geboden na het afronden van de opleiding?'
In het onderwijs en bij betrokken instanties is de kwestie onderwerp van discussie: Willen we een zwaardere functie? Karel Aardse denkt aan "variatie in het functiebouwwerk". Als je daarbij uitsluitend mbo-functies in beeld neemt, zegt hij, is er sprake van downgrading van het leraarsvak. "Daarnaast moet er ook upgrading plaatsvinden door bijvoorbeeld de basisschooldocent een masteropleiding te laten volgen."
Of een differentiatie de andere kant op: het onderwijsassistentschap specifiek richten op de kleuters, zoals het onderzoek ter overweging meegeeft? Hendriks: "Nee, als de suggestie is dat ze beter veters kunnen strikken, dan sla je de plank mis. Ze hebben echt meer in huis."

Het gewenste niveau
Regioplan heeft in opdracht van SBO en OVDB de overgang van mbo naar pabo bekeken. Het is een onderdeel van een groter onderzoek naar de positie van onderwijsassistenten, dat binnenkort verschijnt. Enkele punten uit het deelrapport:
- Mbo-instromers hebben vaak een achterstand op vakinhoudelijk terrein. Bijna alle respondenten vinden dat het in de propedeusefase veel moeite kost ex-mbo'ers op het gewenste niveau te krijgen.
- De helft van respondenten vindt dat het verschil tussen studenten met verschillende vooropleidingen aan het eind van de opleiding niet helemaal is weggewerkt.
- Intern bijspijkerbeleid bij pabo's is vaak niet specifiek gericht op ex-mbo'ers, maar zij maken er wel vaker gebruik van.
- Pabo's moeten in hun voorlichting duidelijk aangeven welke eisen aan studenten gesteld worden.
- Veel winst lijkt geboekt te kunnen worden in extra voorbereiding op het mbo.

‘Knelpunten en oplossingen bij de overgang van mbo naar pabo en leraarschap', door C.T.A. van Bergen & P.J. Krooneman. Verschijnt in november. 

Stefan Nagtegaal (22), derdejaars pabo. Hiervoor: havo en twee jaar mbo-plus (euromarketing en management)
"In spelling ben ik altijd al wel goed geweest, hoofdrekenen ook. Vakken die erg op literatuur gericht zijn, waar je veel voor moet lezen, daar heb ik wat meer moeite mee vanwege de zelfdiscipline. Net als puntje voor puntje alles op een rij zetten, reflecteren. Ik stoor me niet zo aan al die verhalen over reken- of taalproblemen op de pabo. Mensen in de klas die stomme fouten maken met rekenen en taal houd je altijd. Ik vind dat je gebruik moet maken van de dingen waar je goed in bent. Als je goed gitaar kunt spelen, dan gebruik je dat." 
Marjolijn de Graaf (21), derdejaars pabo. Hiervoor: mbo spw-onderwijsassistent
"Ik heb de versnelde route geprobeerd. Maar mijn vooropleiding was in Dordrecht, met die opleiding heeft deze pabo geen afspraken. Ik merkte toch dat ik best veel stof niet had gehad en toen ben ik op het reguliere programma overgestapt. Onderwijsassistent zelf spreekt me niet zo aan, je hebt geen eigen verantwoordelijkheid. Onderwijsassistenten kiezen heel bewust voor de pabo. Ik merkte wel dat ik in het begin makkelijk weer in de rol van onderwijsassistent kroop. Je moet zoveel kunnen: je moet didactisch goed zijn, veel weten en kunnen. Taal en rekenen hebben we nu veel gehad, maar bijvoorbeeld geschiedenis of aardrijkskunde zou ik wat meer willen. Dat zijn dingen die ik vijf of zes jaar geleden voor het laatst heb gehad."
 
Froukje Verburg (19), derdejaars pabo. Hiervoor: havo
"Mijn moeder is lerares, ik wil zelf ook het onderwijs in. Ik vind de pabo niet echt moeilijk, maar wel veel werk. In het begin vond ik de stage best lastig. Ik merkte dat kinderen ook lastig kunnen zijn. Je moet soms ook echt streng zijn. Maar na een tijdje ging dat allemaal makkelijker. Het kost best veel voorbereiding, omdat er ook zoveel bij komt kijken. Wat ik een beetje mis is ‘achtergrond', zoals geschiedenis. In de vijfde klas van de havo hadden we het over de katoenindustrie, maar daar heb je niks aan op de basisschool."

Doormailen    Printversie








andere achtergrond