Bron Het Onderwijsblad Publicatiedatum 10.03.2007 Auteur Rob Voorwinden
Eerstejaars studenten aan de pabo scoorden slecht op de taaltoets, die dit studiejaar voor het eerst werd afgenomen. Pabodocent Ronald Zwiers veegt de vloer aan met de nieuwe toets: hij zou te moeilijk en te onduidelijk zijn. Hennie Biemond, manager van het Expertisecentrum Nederlands dat samen met het Cito de toets ontwierp, dient hem van repliek.
Zwiers: "De toets is veel te moeilijk, er staan vragen in die veel te ingewikkeld zijn voor studenten die net bij de pabo binnenkomen. De toets gaat ook over veel meer dan de basisgrammatica. Er wordt ook gevraagd naar spellingregels."
Biemond: "Dat klopt. Onze opdrachtgever, de Hbo-raad, wil dat er in de toets zes thema's aan de orde komen. Dat is op advies van de Vereniging van Lerarenopleiders, dus ook van pabodocenten. Het gaat om spelling, interpunctie, grammatica, taalgebruik, afbreken en om het expliciteren van spellingregels."
Zwiers: "Die spellingregels worden vaak op een ingewikkelde manier getoetst. Zo is er een cryptische vraag als: ‘Als in een woord twee klinkers volgen na een i, zetten we dan meestal een trema op de klinker na de i?' Nu heb ik zelf zojuist een tiental workshops in nieuwe spelling gegeven, maar ik moest deze vraag echt vier keer lezen voordat ik het antwoord wist."
Biemond: "De spellingregels zijn zelf vaak cryptisch, dus dan krijg je al snel cryptische vragen. Dat is helaas zo. Overigens wordt de toets binnenkort geëvalueerd, en dan zal blijken of de opdrachtgever alle thema's erin wil houden."
Zwiers: "Veel vragen zijn ook weinig nuttig. Zoals de vraag: Is het cowboytjes of cowboytje's? Maar wanneer gebruik je zo'n woord nu? Dit specifieke verkleinwoord staat ook niet in de Van Dale of in de Woordenlijst Nederlandse taal."
Biemond: "Deze vraag draait niet om het woord cowboys: het woord is een aanleiding om de kennis van een algemene spellingregel te toetsen. Verder verschillen de vragen in moeilijkheidsgraad, er zitten moeilijke en makkelijke tussen. En de studenten mogen fouten maken: volgens de voorlopige norm moeten ze er minstens 117 van de 150 goed hebben om een voldoende te halen. Die norm is trouwens ook weer opgesteld door een groep van pabodocenten Nederlands. En ook die norm wordt geëvalueerd."
Zwiers: "In de toets wordt heel veel gevraagd naar afbrekingen, zo'n twintig vragen. Waarom zo veel? En wat moet je met een vraag over waar je het woord claxon afbreekt: cla-xon of clax-on? Daar is een mistige regel voor, maar in alle grammaticaboeken wordt aangeraden om een woord als dit gewoon niet af te breken. En trouwens, bijna iedereen werkt met het programma Word, waarin je woorden niet meer hoeft af te breken. Als het woord te lang is, zet Word het gewoon op een nieuwe regel."
Biemond: "Het onderwerp afbrekingen is een van de zes thema's die onze opdrachtgever wil toetsen. Dan kun je niet volstaan met een of twee vragen. Je hebt er zo'n twintig nodig om goed in kaart te brengen of een student dit onderdeel beheerst. Verder is het programma Word een heel handig stuk gereedschap, maar je hebt er weinig aan als je als leerkracht je leerlingen moet leren om woorden af te breken."
Zwiers: "Er wordt ook gevraagd naar lastige zaken als beperkende of uitbreidende bijzinnen. Er komen letterwoorden en initiaalwoorden aan de orde: dat zijn afkortingen die je als losse letters (sms) of juist als hele woorden (havo) uitspreekt. Dat zijn echt heel specialistische onderwerpen die horen bij de nieuwste spelling. En bij het onderdeel interpunctie wordt er gevraagd naar details die professionele tekstschrijvers soms niet eens weten."
Biemond: "We hebben echt gevraagd naar lesstof die aan de orde komt op de basisschool en in het voortgezet onderwijs. Daar zijn we niet buiten gekomen. En nogmaals, de vragen zijn beoordeeld door pabodocenten. Zij vinden dat we dit kunnen vragen."
Ligt de fout bij het voortgezet onderwijs? |
Artikelen